Voor schoolleiders PO: gratis e-book 📥 Praktisch met Lef Wijzer
Praktische werkvormen voor morele reflectie, direct toepasbaar in jouw praktijk.
Kind op de gang
Zijn alle kinderen welkom op jouw school?
4/9/20268 min read


Nederland wil in 2035 volledig inclusief onderwijs. Dat betekent dat alle kinderen welkom zijn op een school in de buurt. Daarvoor was er Passend Onderwijs (2014) en daarvoor Weer Samen Naar School (1998). Elke wet probeerde de groei van het speciaal onderwijs te stoppen. Maar die groei zette door. Ik deel hier een ervaring uit mijn tijd als leerkracht en stel de vraag of wij echt klaar zijn voor inclusief onderwijs.
Rugzakjes
In 2007 kwam ik als zij-instromer het basisonderwijs binnen. Mijn eerste studiedag als leerkracht ging over kinderen met een rugzakje. Ik had werkelijk geen idee waar het over ging. Ik had net de verkorte PABO achter de rug, inclusief stages, maar had er nog nooit over gelezen of gehoord.
Die rugzak werd mij snel duidelijk. Het stond symbool voor de ondersteuning van leerlingen die extra zorg nodig hadden. Bij ons op school was dat Koen, een jongetje van vijf met het syndroom van Down. Hij zat bij de kleuters. De school en de leerkracht van de groep waar Koen zat, kregen ondersteuning vanuit een medewerker van het cluster 3-onderwijs. Zij en een collega begeleidden ons ook tijdens deze studiedag.
Ik kan me van de dag zelf niet meer zoveel herinneren, behalve dat er op een gegeven moment door een collega de volgende vraag werd gesteld: Hoelang zal Koen nog bij ons op school blijven? De dames van cluster-3 gaven aan dat ze dat niet wisten. Het zou maar zo kunnen zijn dat hij gewoon tot en met groep 8 bij ons zou blijven. Dat had, zo lichtten ze toe, met heel veel factoren te maken. Zoals hoe Koen zich nog verder zou ontwikkelen en net als bij elk ander kind weet je dat niet van tevoren. En ook of de school, de leerkrachten wel kunnen bieden wat Koen nodig heeft. Dus uiteindelijk weet je het pas als je zover bent. Wat me ook bij bleef was dat ze zeiden dat de ondersteuning voor een kind iedere keer weer uniek is, geen kind is hetzelfde. Inderdaad, dacht ik. Dat kun je niet van tevoren vastleggen.
En toch zag ik in de jaren die volgden wat anders gebeuren.
Project Kind op de Gang
Een jaar later, bij de start van het schooljaar 2008/2009, hadden we weer een studiedag over ondersteuning aan kinderen met extra zorg. Dit keer zouden we gedurende het schooljaar met het team een paar keer bij elkaar komen. Het project heette ‘Kind op de Gang’ en waarom ik dat nog zo goed weet kom ik later op terug. Ik wist ook dat iedere school binnen onze stichting ditzelfde studietraject deed. Het ging over allerlei kindprofielen met daarbij passende verhalen. Ik vermoed dat ze verzonnen waren. Ze zaten in elk geval niet bij ons op school.
Op basis van die verhalen moesten we met elkaar in gesprek over de vraag of dit kind, met dat profiel en bijhorend verhaal, wel bij ons op school paste. Het voelde voor mij zo onwerkelijk. Ik was nieuw in het onderwijs, ik had ook geen idee. Hoe kun je op basis van een situatie op papier zeggen of je iets kunt als school, als team, als leerkracht? Dat project bleek achteraf helemaal geen fictie te zijn. Het was de realiteit van onze eigen school. Maar daar kwam ik pas later dat schooljaar achter.
Jongetje op de gang
Ik zat datzelfde schooljaar met mijn groep buiten het schoolgebouw, in een noodlokaal. Soms moest ik tijdens schooltijd even het gebouw in, bijvoorbeeld een printje halen uit het kopieerhok. En toen zag ik hem zitten. Een jongetje met donkere krullen en felblauwe ogen. Ik hoorde hem vóórdat ik hem zag. Koptelefoon op, op de gang, achter zijn laptop. Ik liep zachtjes naar hem toe, hij merkte mij niet op. En toen zag ik wat hij deed. Een schietspel. Hij ging er helemaal in op. Ik was niet vaak in het hoofdgebouw tijdens schooltijd, maar als ik er was dan zat hij er ook, vaker dan ik hoopte.
Ik verwonderde me. Hij was altijd gefocust en vol overgave bezig. Niets mooiers dan dat, want dat zien we lang niet altijd in een school bij kinderen. Maar tegelijkertijd vroeg ik me af waarom hij daar zat. Waarom was hij niet samen met andere kinderen in de klas? Ik vroeg me ook af of zijn ouders dit wisten. Tegelijkertijd voelde ik me daarover ook ongemakkelijk. Het was geen leerling uit onze klas.
Ik en mijn duo-collega waren nog maar net begonnen op die school. Het was een hecht team, ze werkten er allemaal al meer dan vijftien jaar. We merkten al snel dat wat we ook zeiden of deden, het voelde alsof we in een porseleinkast dansten. Daarnaast was er in de periode een interim-directeur werkzaam, maar die zagen we weinig. We waren grotendeels zelf de school draaiende aan het houden. En eigenlijk deed deze collega’s dat al jaren zo, op hun eigen manier. Ze hadden ook een goede band met ouders in deze kleine hechte gemeenschap. Dus wie was ik om daar wat van te zeggen?
Later dat schooljaar spraken we als team over de klassenindeling voor schooljaar daarna. We vernamen toen van onze collega’s dat de groep 7/8 zoals die voorlag niet gemakkelijk zou worden. Uit ervaring wisten ze te vertellen dat deze groepscombinatie jarenlang had geleid tot veel onrust in de klas, bij leerkrachten en dus ook bij ouders. Mijn duo en ik stelden toen een andere klassenindeling voor. Zodoende duurde het toch nog een heel jaar voor dat Ties, want zo heette het jongetje van de gang, bij ons in de klas kwam.
Jongetje in de klas
We waren van plan om het anders te doen dan de collega’s het jaar daarvoor en Ties zoveel mogelijk bij de groep te betrekken, en dus ook in de klas. Voor ons hield dat in dat we gingen kijken wat hij al wist en kon en wat hij eventueel nog meer kon leren. Niets anders dan we ook deden bij de andere leerlingen. Voordat het nieuwe jaar begon, spraken we met de begeleider van Ties en zijn ouders. Toen vernamen we dat Ties zijn laptop en koptelefoon uit ‘rugzakgeld’ was betaald. En opeens begon die studiedag van het jaar daarvoor te dagen en viel het kwartje voor mij. De naam 'Kind op de Gang' kwam dus ergens vandaan; het had met buitensluiten te maken. We hadden hier ons eigen verhaal, niets verzonnen. De leerling waarvan collega's zo nu en dan echt even niet meer wisten wat ze met hem moesten en dan was de gang, met laptop, koptelefoon en een spel de uitkomst voor hen en voor Ties. Althans, zo dachten ze. Of het voor Ties daadwerkelijk de beste oplossing was, was maar de vraag.
Drie keer per week, een paar uur per dag, was er een onderwijsassistent speciaal voor Ties. Hij kreeg onder andere een ladensysteempje, dat gaf hem structuur in zijn werk. Zij bereidde bepaalde opdrachten met hem voor. Er waren opdrachten die hij zelf kon doen en ook opdrachten die hij samen met haar of met ons of een klasgenootje deed. Hij deed weer mee met de groep. Ik kan me geen moment herinneren dat hij nog op de gang zat, ja wel op de gang, maar niet meer achter zijn laptop om schietspelletjes te doen. Hij vroeg er niet naar, geen enkele keer.
Een ander kind
De ouders van Ties kwamen op de eerste ouderavond langs. Ze waren zichtbaar geëmotioneerd. Blij en geraakt. Ze waren dankbaar, zeiden ze. Thuis zagen ze een ander kind, een kind dat weer met veel zin naar school ging. Dat merkten ze omdat hij 's ochtends al aan het zingen was. Dat hadden ze al heel lang niet meer gemaakt.
In de klas zagen we dat Ties langzaam maar zeker zijn plek vond. Hij deed mee met de instructies, werkte aan zijn weektaak. Dankzij de steun van de onderwijsassistent kon Ties groeien in zelfstandigheid. Hij ging later dat jaar zelfs mee op kamp en kreeg ook een rol in de eindmusical. En ja, dat was best spannend. Heel spannend zelfs. Hij hoefde niet, maar hij wilde zelf zo graag en hij mocht meedoen. Dat was al heel wat voor hem, want hoe vaak had hij niet mee mogen doen. De groep accepteerde hem, niet omdat wij dat als leerkrachten afdwongen, maar omdat hij er gewoon bij hoorde.
Collega's zeiden wel eens dat wij het makkelijk hadden. Want toen hij jong was, was het niet te doen. En nu hij ouder was, ja, dan ging het makkelijker. Misschien hadden ze gelijk, ik weet het niet. Ik kon het niet ontkennen, het was hun beleving. Dat zij het moeilijker hadden en wij makkelijker. Ik heb het aangehoord en daar gelaten waar het was, bij hen. Er zat duidelijk een frustratie vanuit het verleden.
De afwijzing
Het jaar erop, in 2010, werd ik directeur van een school in een ander, groter dorp. Toen ik er net een paar maanden werkte, klopte een moeder bij ons aan. Ze zocht een school voor haar dochtertje, die het jaar erop vier zou worden. Zij had het syndroom van Down. Ik had de ervaring uit mijn eerste jaren en had gezien dat het kon. En wist tegelijkertijd dat het gedragen moest worden door het team. Maar voor mij leek het vanzelfsprekend. Mijn intern begeleider en ik gingen de gesprekken aan met het team. Wat kunnen wij? Ze zagen het niet zitten. De extra zorg, de klassen waren al groot, en dan ook nog eens een leerling met extra zorg. Ze wezen het op voorhand af. Ik had geen gedragen besluit en moest met hangende pootjes terug naar de moeder.
Zij was niet eens teleurgesteld. Ze had het blijkbaar verwacht. Eerder had ze ons al verteld dat ze nog meerdere scholen in onze kern en nabijgelegen dorpen had bezocht, ik geloof meer dan acht. Niet zozeer omdat ze een goede school zocht. Maar ze zocht een school die haar kind wel aan boord wilde nemen. Ik kan me niet voorstellen hoe dat was voor haar als ouder dat je kind wordt afgewezen, keer op keer. Terwijl je weet hoe goed het voor haar zou zijn. Scholen hadden toen nog geen zorgplicht, en ook vandaag de dag kunnen scholen leerlingen met extra zorg nog steeds afwijzen.
Hoe ik zelf deze situatie ervaarde? Als zeer lastig. Het ging zo in tegen waar ik op dat moment voor stond en waar ik voor wilde gaan. Ik had in elk geval verwacht verder in gesprek te gaan, een kennismaking, proefdraaien. Maar ik was niet degene die voor de klas stond. Ik was de verantwoordelijke schoolleider en wees de moeder en haar dochter af. Het voelde niet goed, ik sloot een kind uit. Exclusief onderwijs. Niet voor iedereen. Maar dat stond niet in onze schoolgids.
De Directeurskamer
Je weet nooit of je het goede doet. Dat brengt twijfels met zich mee en ook een vorm van ongemak, dat hoort bij ons vak. Maar wat ik wel weet is dat ik zag dat een leerling opbloeide toen bij er weer bij mocht zijn, een deel was van het geheel, en dat merkten zijn ouders ook. Maar ik heb ook het verhaal meegemaakt met een moeder die bij meer dan acht scholen langsging op zoek naar een plekje voor haar kind en die plek was er niet, ook niet bij mij op school.
Daarom vraag ik je, open nu eens je eigen schoolgids. Wat staat er in het voorwoord? Vaak zoiets als ‘Bij ons is iedereen welkom’. Maar blader dan door naar het toelatingsbeleid. Daar staan de uitzonderingen. Zoals het maximumaantal leerlingen per klas. De grenzen die de school op papier zet wat betreft ondersteuning. De procedures die gevolgd moeten worden. Het ‘ja’ in het voorwoord wordt in de kleine lettertjes een ‘ja, mits’.
Dus ik kan jou nu vragen hoe het is gesteld met inclusief onderwijs op jouw school, maar die vraag maakt het te groot en te abstract. Dan mis je het gezicht van de leerling waar het echt om gaat. Beter is om te vragen welk kind er op jouw school niet bij zijn eigen groep zit. Misschien nog wel in de school, op de gang, of bij een collega. Of is die ene leerling nu op een andere school of misschien zelfs wel thuis.
Inclusief onderwijs begint niet bij een wet of een beleidsstuk. Het begint bij de vraag of wij alle kinderen uit de buurt echt welkom heten. En als het antwoord ‘ja’ is, wat doen we morgen dan anders?
Uiteraard ben ik ook benieuwd naar jouw verhaal. Ik nodig je uit om het te delen met mij en eventueel ook hier in een blogpost. Neem contact met mij op via mail of via het contactformulier.
In dit verhaal zijn namen gefingeerd.
Krijg nieuwe blogs direct in je inbox – kort, praktisch en herkenbaar
