Voor schoolleiders PO: gratis e-book 📥 Praktisch met Lef Wijzer
Praktische werkvormen voor morele reflectie, direct toepasbaar in jouw praktijk.
Morris verpest de sfeer in de klas
Een boze zoon, een rapport en die ene zin die bleef hangen
1/12/20265 min read


Mijn zoon gooide zijn rugzak met een flinke smak de hoek in. Ik kende die boosheid niet van hem. Maar zijn boosheid kwam niet uit het niets. Ze begon met één zin, geschreven door zijn juf.
Die ene zin
We kwamen die dag laat thuis, vanuit de naschoolse opvang. Met een knal landde de tas tegen de muur. De boosheid was er nog steeds. Ook op de BSO hadden ze het gezien. Ze hadden geen idee waar dat plotselinge, nukkige gedrag vandaan kwam. Normaal gesproken was hij de vrolijkheid zelve als hij uit school kwam. Maar vandaag niet. Deze dag was er alleen maar die gespannen stilte en die tas die tegen de muur ketste.
Ik tastte ook in het duister. Tot ik die avond, toen hij naar bed was, zijn schooltas pakte. Ik viste zijn rapport eruit. Het was begin februari 2006. Mijn zoon Morris was zeven, een nieuwsgierige jongen in groep 4. Ik sloeg het rapport open. De eerste pagina’s waren zoals verwacht. Tot ik bij de laatste bladzijde kwam. Daar stond het, in het handschrift van zijn juf: “Morris verpest de sfeer in de klas.”
Ik werd even helemaal stil. Wat moest ik hier nu mee? Wat moest Morris hiermee? Mijn eerste vraag was, waarom schrijf je dit in een rapport? Dit is geen observatie, dit is een oordeel. En toen viel het kwartje. Dit had hij op school zelf ook gelezen. Zijn nieuwsgierigheid had hem ertoe gebracht dat boekje open te slaan. En daar stond het dan, zwart op wit, over hem. Hij verpestte het. Hij was de spelbreker. Die boosheid thuis, dat was geen onverklaarbaar gedrag. Dat was gekwetstheid. Dat was de woede van een kind dat zich niet gezien voelt, maar veroordeeld.
De ouderavond
De week erop ging ik naar de ouderavond. Gewapend met dat rapport. Ik vertelde de leerkracht wat er thuis was gebeurd. Ik beschreef de tas in de hoek, de boze en ook onbereikbare houding. Ik eindigde met mijn vraag. Waarom had ze dit opgeschreven?
Ze zei dat ze het belangrijk vond dat wij dit wisten. Meteen kwam ze met een voorbeeld. Diezelfde ochtend nog. Na het speelkwartier kwam de groep binnen. Op het digibord stond een aflevering van ‘Huisje Boompje Beestje’ klaar. Morris had het gezien en meteen door de klas geroepen. “Hè… gatver!”
“Zo,” zei ze, “verpest hij de sfeer. Andere kinderen vinden het misschien wel leuk.”
Ik luisterde. En toen vertelde ik hoe ik het zag. Ik zei dat ik dacht dat het niet zijn bedoeling was geweest om de sfeer te verpesten. Hij reageerde impulsief, vanuit een oprechte afkeer. Ja, dat is niet handig in een groep. Dat moet je bespreken. Maar was dat ‘verpesten’?
Ik vroeg haar verder te kijken. Thuis keek Morris afleveringen van National Geographic. Niet omdat wij dat aanzetten, maar omdat hij gefascineerd was door dieren, door de natuur. Voor hem was het contrast tussen de complexiteit van een documentaire en de eenvoud van ‘Huisje Boompje Beestje’ zo groot dat zijn reactie eruit floepte. Het was eerder een gebrek aan filter maar zeker niet van kwade wil.
Ik besloot het daarbij te laten. Mijn doel was niet om haar aan te vallen. Mijn doel was simpelweg te laten zien wat de impact van haar woorden was geweest. En om, misschien, een stukje context toe te voegen. Het verhaal achter het gedrag.
Het verhaal in mijn rugzak
Dit verhaal bleef in mij doorsudderen. En het kreeg een nieuwe laag toen ik, datzelfde jaar in september, met de verkorte PABO begon. Opeens keek ik niet alleen meer als moeder naar die woorden in het rapport, maar ook als aankomend leerkracht. Wat is de functie van zo’n rapport eigenlijk?
Ik ging dit verhaal te delen. Eerst in gesprekken met medestudenten. Later, toen ik voor de klas stond en daarna als schoolleider, in gesprekken met mijn team. Het werd mijn aanleiding om steeds weer die ene vraag te stellen: waarom?
Waarom doen we wat we doen? Waarom geven we cijfers? Waarom schrijven we rapporten op deze manier? Wat is het doel van een rapport? Deze vragen komen rechtstreeks uit mijn ervaring. Ze komen voort uit de boosheid van mijn zoon, mijn verwondering over dat ene zinnetje, en ook uit mijn nieuwsgierigheid om de bedoeling van de leerkracht te begrijpen. Het zijn misschien wat grote vragen, maar ze zijn zichtbaar in de kleine handelingen. Zoals met die ene opmerking in een rapport. Wat wil je daarmee bereiken? Wat wil je de leerling en de ouders eigenlijk meegeven? En, misschien wel de belangrijkste vraag, wat heb je nodig van het kind en zijn ouders om dat voor elkaar te krijgen?
Alles wat wij doen, elke opmerking, elk cijfer, elke aantekening, raakt. Het komt ergens aan. En daarmee is ons werk, of we dat nu willen of niet, per definitie moreel geladen. We dragen daarmee een enorm gewicht in onze handen, een verantwoordelijkheid voor het welzijn van ieder kind in jouw school.
De Directeurskamer
Ik deel dit verhaal niet om te zeggen hoe het wel moet. Ik deel het omdat ik geloof dat dit soort verhalen ons doen stilstaan. Ze houden ons een spiegel voor en nodigen uit om vanuit een andere hoek naar een situatie te kijken. Wat als die ‘sfeerverpester’ gewoon een impulsief kind is met een fascinatie voor de wereld om hem heen? Wat als die opmerking in het rapport vooral jouw eigen onmacht op dat moment beschrijft, in plaats van het kind?
Misschien raakt dit verhaal iets bij jou. Herinner je je een rapport van jezelf, of van je kind, waar een zin in stond die snijdend aanvoelde? Of juist een leraar wiens woorden je jarenlang de goede kant op stuurden? Misschien heb je een uitgesproken mening over cijfers en rapporten.
De kern van De Directeurskamer is voor mij dat we leren door elkaars verhalen. Twijfelen, reflecteren, en die morele kwesties niet wegstoppen maar ze op tafel te leggen. Hoe weten we of we het goede doen? Naar mijn idee is het antwoord niet te vinden in protocollen of methodes alleen. Het antwoord ontstaat in het gesprek. En niet alleen met je collega’s maar ook met kinderen en hun ouders. In het betrekken van degenen voor wie we het doen. In het samen onderzoeken wat hier nu eigenlijk het goede is om te doen. Voor dit kind, in deze situatie, op dit moment?
Mijn ervaring met deze opmerking op het rapport van Morris heeft mij geleerd dat de waarom-vraag de belangrijkste is. Het vraagt moed om je eigen handelen onder de loep te leggen. Het vraagt ruimte om naar het hele verhaal te luisteren, niet alleen naar het fragment dat je ziet.
Laten we die ruimte voor elkaar houden. Laten we in deze kamer verhalen blijven delen die ons wakker schudden en die ons helpen om, elke dag opnieuw, het verschil te kunnen maken. Voor alle Morris-en, en voor alle kinderen die ons zijn toevertrouwd.
Vragen om jouw perspectief te verbreden vanuit je eigen ervaringen:
Wanneer heb je zelf weleens een oordeel geveld, in een rapport of een gesprek, waarvan je later dacht: ik miste een stukje van het verhaal?
Welke ‘waarom-vraag’ over jouw eigen handelingspraktijk zou je vandaag nog eens onder de loep kunnen nemen?
Welk verhaal van een leerling of ouder heeft jouw blik voorgoed veranderd?
Uiteraard ben ik ook benieuwd naar jouw verhaal. Ik nodig je uit om het te delen met mij en eventueel ook hier in een blogpost. Neem contact met mij op via mail of via het contactformulier.
In dit verhaal zijn namen gefingeerd
Krijg nieuwe blogs direct in je inbox – kort, praktisch en herkenbaar
