Voor schoolleiders PO: gratis e-book 📥 Praktisch met Lef Wijzer
Praktische werkvormen voor morele reflectie, direct toepasbaar in jouw praktijk.

Ik was erbij, ik zag het en deed niets

Waar eindigt het systeem dat alles in de mal wil passen, en begint het kijken naar het kind achter het gedrag? Een verhaal over ADHD-medicatie in school.

5/22/202610 min read

schaduw van een kind op zebrapad – symbool voor verder kijken dan het label.
schaduw van een kind op zebrapad – symbool voor verder kijken dan het label.

In mijn eerste jaar als directeur zag ik het voor het eerst tijdens een klassenobservatie. In die klas kregen drie leerlingen ADHD-medicatie door de leerkracht aangereikt. Ik was en ben nog steeds geen voorstander van pillen, maar ik deed destijds niets. Meer dan vijftien jaar later is het nog altijd actueel. In 2025 gebruiken 94.000 kinderen ADHD-medicatie. Negen van de tien huisartsen ervaren druk van scholen en ouders.

Mijn ervaring voor de klas

Voordat ik schoolleider werd, stond ik eerst een paar jaar voor de klas als zij-instromer. In die vier jaar heb ik één leerling gekend die Ritalin slikte. Daar kwam ik overigens pas na twee jaar achter. Tijdens de voorbereiding van het schoolkamp van groep 8 vertelde zijn moeder het tussen neus en lippen door, op een ouderavond. De jongen regelde alles zelf, maar ze vond het wel fijn dat wij wisten dat hij medicatie bij zich had en gebruikte.

Voor zover ik dus weet, die ene leerling. Het zou natuurlijk kunnen dat meer kinderen medicatie gebruikten zonder dat wij daarvan op de hoogte waren. Maar het is nooit onderwerp van gesprek geweest, niet vanuit school en niet vanuit ouders. Natuurlijk hadden wij ‘drukke’ leerlingen in de klas, kinderen die iets meer aandacht vroegen door impulsieve reacties of andere opvallende acties, en er waren ook kinderen die moeite hadden met concentratie en focus. We hadden meer dan 25 kinderen in de klas en ieder kind had iets unieks, iets eigens. Dat maakte het vak voor mij juist zo aantrekkelijk. ‘Geen dag hetzelfde’ was in die periode niet voor niets de slogan van een overheidscampagne om leraren te werven.

Elke keer stemden mijn duopartner en ik opnieuw af op wat onze leerlingen nodig hadden. Daarbij betrokken we ook de leerling zelf en waar nodig zijn ouders. We hadden, zoals de meeste scholen, een leerstofjaarklassensysteem, maar dan in combinatiegroepen. We werkten met thema’s, projecten en weektaken en gaven de meeste instructies in kleinere groepen. Ik omschrijf onze manier van werken als een mengeling van Dalton en Jenaplan met een vleugje Montessori. Gedurende een schooldag was er zelden een moment waarop alle leerlingen tegelijkertijd aan hun eigen tafeltje zaten en aan hetzelfde onderwerp werkten. Meestal niet, soms wel. Er waren altijd leerlingen die ergens anders bezig waren, in een groepje of individueel, bij mij aan de instructietafel of op de gang.

We zagen kinderen in onze klas opbloeien. Leerlingen die bij ons binnenkwamen met het idee dat er iets niet in orde was als ze het niet meteen wisten of konden. Of leerlingen die afwachtend waren, bang om fouten te maken. Terwijl je juist vaak leert door fouten te maken, het weer opnieuw te proberen en te oefenen. Dat zegt niet alleen de wetenschap, het is ook mijn eigen ervaring. Zolang je iets goed doet zonder te weten waarom het goed is, leer je niet veel, dan wist je het blijkbaar al. Maar maak je een fout, dan moet je je verdiepen in andere mogelijkheden, het op een andere manier aanpakken. Dan is het fijn als je daarbij gezien wordt, instructie krijgt, begeleid en gesteund wordt.

Ik genoot het meest van het moment waarop een leerling ontdekte dat hij iets had geleerd. Iets wat eerst niet lukte en dan opeens wel, de lach die dan op zijn gezicht verscheen of de verbazing over zijn eigen kunnen. Geweldig. Ik zei dan ook vaak tegen mijn leerlingen: “Je komt hier niet op school om te laten zien wat je al kunt, want daarvoor hoef je niet naar school. Je komt hier juist om dingen te leren die je nog niet kunt. Dat kan soms best lastig zijn, en daarom ben ik er om jou te helpen.

Dat gold voor al onze leerlingen. Ze stroomden uit naar alle niveaus, van praktijkonderwijs tot en met gymnasium. Geen van hen was gemiddeld, ieder kind was op zijn eigen manier bijzonder.

De klassenobservatie

In mijn eerste jaar als directeur maakte ik het voor het eerst mee: medicatie in de klas. Het was tijdens een klassenobservatie. Ik keek mee met een les en opeens ging de telefoon van de leerkracht af, een trillend geluid van een alarm. De klas was zo stil dat ik het trillen duidelijk hoorde. Binnen een oogwenk stonden er drie leerlingen bij haar bureau.

Na afloop vertelde de leerkracht dat deze drie leerlingen ADHD-medicatie van haar kregen. Ze had bij alle drie sinds het gebruik aanzienlijke verbeteringen gezien, zowel in schoolresultaten als in hun gedrag in de klas. De kinderen waren rustiger en werkten geconcentreerd aan hun schoolopdrachten. Ik schrok, en niet alleen van het aantal. Wat me toen vooral verbaasde, was dat de leerkracht het volstrekt normaal vond. De leerlingen waren rustiger, de resultaten beter. Daarmee leek het gerechtvaardigd dat deze leerlingen deze medicatie voorgeschreven kregen. Ik vroeg het me toen al af, en vandaag de dag nog steeds. Is dit werkelijk de juiste weg? Mijn terughoudendheid tegenover pillen kwam niet uit de lucht vallen.

Mijn partner en de pillen

Mijn partner experimenteerde ooit met Ritalin en andere ADHD-medicatie, in de tijd dat ik net begonnen was als leerkracht. Uiteraard stemde hij het af met zijn huisarts. Hij zocht vooral naar rust in zijn hoofd. Na het invullen van een vragenlijst stelde de huisarts vast dat hij mogelijk ADHD had en schreef hem medicatie voor.

Elke keer dat hij stopte met de pillen, hield hij dat voor zich. Toch merkte ik het meteen. Hij werd weer onrustig, en niet alleen in zijn hoofd; ik zag het direct terug in zijn doen en laten. Tijdens het slikken was hij stiller en ook rustiger. Maar, zo bleek, blij werd hij er niet van. Eerder ongelukkiger. Hij ervoer dat de pillen hem niet hielpen. Hij omschreef het alsof hij zichzelf verloor; hij voelde zich een zombie. Ik vond het een treffende omschrijving. Ik zag hem worstelen met zijn onrust en de drukte in zijn hoofd. Toen hij me had verteld dat hij op aanraden van de huisarts met de medicatie was begonnen, vroeg ik me af of dat de juiste weg was. Maar ik liet het hem liever zelf ervaren. Het ging niet over mij, het ging over hem.

Na diverse pogingen met verschillende middelen besloot hij het anders aan te pakken. Accepteren wie hij was en wat hij nodig had, bleek voor hem uitkomst te bieden. Voor hem was het belangrijk om te kiezen voor wat hij zelf belangrijk vond, in plaats van altijd maar rekening te houden met anderen. Zijn verhaal bleef mij bij.

De kinderen die pillen slikken vertonen nu misschien wel het gewenste gedrag en betere leeropbrengsten. Maar wat betekent het gebruik van deze medicatie voor het kind zelf? Wat ervaart een kind? Ik heb geen idee of dat besproken wordt door de arts met het kind en zijn ouders. Ik vraag me af in hoeverre een kind op die leeftijd kan voelen en verwoorden wat de pillen werkelijk met hem doen. Zij zien en horen ook dat de resultaten op school verbeteren, dat de leerkracht tevreden is. Ze willen het goed doen en zijn loyaal aan hun ouders en hun leerkrachten. Dat maakt het naar mijn idee behoorlijk ingewikkeld.

Ik stond alleen in mijn zorgen

Ergens in die tijd, het was 2013, woonde ik een lezing van Jelle Jolles, hoogleraar neuropsychologie, bij. Hij sprak tijdens een onderwijsavond bij het NIVOZ (1) over het tienerbrein, over leren en over de risico’s van overdiagnostiek in Nederland. Hij had in mijn ogen een belangrijke boodschap: een rijke leeromgeving maakt het verschil. Ik voelde in hem een medestander. Zijn woorden gaven mij taal om met mijn intern begeleider te bespreken wat ik in mijn school zag gebeuren. Zij was degene die de leerkrachten ondersteunt bij hun zorgvragen.

Wat mij destijds opviel, was hoe snel er in onze school naar het gedrag van de leerling werd gekeken als een probleem, in plaats van als een signaal. Gedrag, dat al dan niet terecht als afwijkend wordt gekenmerkt, is in mijn ogen vrijwel altijd een reactie op iets. In dit geval duidde het dat wat de school biedt niet aansluit bij wat een leerling werkelijk nodig heeft. Maar in plaats van te onderzoeken hoe we beter konden afstemmen op de onderwijsbehoefte van het kind, werden de ouders en de leerling doorverwezen naar een praktijk gespecialiseerd in ADHD. Ik vroeg mijn intern begeleider waarom ze dat deed. De kans dat zij iemand diagnosticeren is namelijk heel erg groot, het is immers waarvoor je komt. En ja, dat bevestigde mijn ib’er ook, het werd tot nu toe ook altijd vastgesteld. Ik moet toegeven, naast vragen stellen, deed ik er verder niets mee.

Wat ik destijds moeilijk vond, was mijn positie. Ik was weliswaar de schoolleider maar ik voelde me niet gehoord in mijn zorgen. Tegelijkertijd zag ik dat de leerkrachten zich in de klas geen raad wisten met afwijkend gedrag. Ouders werden door de signalen van school ook ongerust en wilden dat hun kind succesvol was op school. En daarmee richtte alles zich op het kind en de vraag: wat is er met dit kind aan de hand? De vraag die niet werd gesteld, was wat deze leerling van ons nodig heeft. Hoe kunnen we ons gedrag zo afstemmen en ons onderwijs zo inrichten dat het beter aansluit bij alle kinderen in de school?

Ik deed waar ik als schoolleider wél invloed op had. Ik richtte me op schoolontwikkeling. Voor mij zat de oplossing in de leerkrachten zelf. Ik werkte aan het verstevigen van hun vakmanschap. Waar voorheen de methode alles bepaalde, verschoof het accent naar het didactisch handelen. Toen dat steviger stond, richtten we ons op de pedagogische kwaliteiten. Met het hele team volgden we het traject Pedagogische Tact van het NIVOZ, dat leraren en schoolleiders sterkt in hun pedagogische opdracht. Onder de bezielende leiding van Ellen Emonds werkte het team een jaar lang intensief aan de vraag waar wij als school en als onderwijsprofessionals voor staan.

Na dat jaar werd een leerkracht uit mijn team, Specialist Pedagogische Tact bij de stichting, om het vuur zowel binnen de stichting als op onze school brandend te houden. Ik zag vooral in de bovenbouw mooie dingen ontstaan. De stem van de leerling ging er steeds meer toe doen. Leerkrachten experimenteerden met hun onderwijs, stemden meer af op de leerlingen en de groep in plaats van klakkeloos te volgen wat de methode dicteerde. Het was prachtig om te zien hoe een aantal leerkrachten opnieuw bezieling kregen voor hun vak.

Maar de doorverwijzingen gingen door. Daar kreeg ik geen grip op.

Waar eindigt het systeem?

Mijn ervaringen zijn van even geleden, maar niet minder actueel. Ik ben geen schoolleider meer, maar deel mijn gedachten over onderwijs in blogs en essays. Steeds opnieuw stel ik dezelfde vragen: waarom doen we de dingen die we doen? En hoe weten we of het juist is?

Sinds afgelopen zomer ben ik ook weer actief op LinkedIn. Ik maakte daar kennis met Laura Batstra, hoogleraar orthopedagogiek in Groningen. Ik volg haar werk en het roept bij mij veel herkenning op. Zij pleit ervoor om beter te kijken naar wat een kind nodig heeft in de klas, in plaats van meteen naar een gedragsstoornis te zoeken. Ze zegt niet dat ADHD niet bestaat, maar vraagt zich af of het kind wel gebaat is bij het label. Precies wat ik me in de onderwijspraktijk altijd afvroeg, al was het niet mijn vakgebied. Ik baseerde me op wat ik zag bij mijn partner en op hoe ik naar mensen kijk. Ik kijk niet naar wat er mis is, maar naar wat hun verhalen en gedrag vertellen. Vervolgens sluit ik aan bij wat ze wel nodig hebben en zoek ik samen met hen naar wat wél helpt.

Ook de cijfers van de afgelopen jaren liegen er niet om. In 2025 gebruikten nog steeds 94.000 kinderen ADHD-medicatie (2). Dat zijn 43 op elke duizend kinderen. Het totale aantal gebruikers, inclusief volwassenen, steeg naar 360.000, een stijging van 38 procent sinds 2021. Ook las ik een onderzoek onder huisartsen: negen van de tien ervaren druk van ouders en scholen om een diagnose te stellen (3). Meer dan een derde gaf toe soms mee te gaan in die druk, ook als ze twijfelen. In 2016 werden er in de Tweede Kamer al vragen over gesteld (4). Deze vragen leidden echter niet tot verandering. In 2024 werden de vragen opnieuw gesteld (5). Het antwoord van de minister was duidelijk, scholen mogen geen medisch advies geven. Maar uit alles komt naar voren dat de praktijk weerbarstig is.

Het systeem verandert wanneer wij, de leerkrachten en de schoolleiders, besluiten niet het systeem leidend te laten zijn, maar wat daadwerkelijk ertoe doet: goed onderwijs voor alle leerlingen. Dat betekent dat we bereid zijn verder te kijken dan het gedrag en ons handelen af te stemmen op wat het kind werkelijk nodig heeft. Ik heb deze ervaring ook in de praktijk opgedaan. Eerst als leraar, zoals ik eerder beschreef en op de laatste school waar ik tot 4 jaar geleden schoolleider was. Daar kreeg ik de ruimte om te werken aan wat ertoe deed voor het kind en daarmee ook voor mij als schoolleider. Dat paste bij de leider die ik wilde zijn. Ook daar waren kinderen met een ADHD-diagnose, ook daar werd medicatie gebruikt en gegeven. Maar wij als school speelden geen rol in het proces van het aanvragen of bevorderen van een diagnose of medicatieverstrekking. Samen met een gedragsspecialist en de intern begeleider ondersteunden we de leerkrachten in de klas. Onze zorgvragen draaiden om wat wij konden doen om beter aan te sluiten, niet om wat het kind mankeerde. Gedrag was geen probleem dat opgelost moest worden, maar een vraag om verder te kijken naar wat er nodig is.

De Directeurskamer

Dit verhaal is onderdeel van De Directeurskamer, mijn blogserie over morele dilemma’s in het onderwijs. Een plek zonder protocollen, met ruimte voor twijfel en reflectie.

Je weet nooit of je het goede doet. Dat brengt twijfel en ongemak. Het hoort bij ons vak. Wat ik wel weet en heb gezien, is dat leerlingen opbloeien zodra er gekeken wordt naar wat hen werkelijk helpt. En ik heb ook leerkrachten zien opbloeien wanneer ze de methode durven los te laten en te kijken wat er nodig is, met een stevige didactische en pedagogische basis als achtergrond.

Daarom vraag ik het jou, schoolleider. Wat gebeurt er op jouw school met kinderen die niet in de mal van het schoolsysteem passen? Zijn zij het probleem, of stemmen jouw leerkrachten vanuit hun vakmanschap af op wat de leerling nodig heeft?

Verantwoording bij deze blogpost

Ik heb geen medische kennis van ADHD, ADHD-medicatie, doseringen of de lange termijn effecten ervan. Met deze blog wil ik nadrukkelijk niet op de stoel van een arts gaan zitten. Ook heb ik zelf geen ervaring met het slikken van deze medicatie.

Wat ik wel weet, komt voort uit mijn jarenlange praktijk als schoolleider. Ik heb gezien hoe leerkrachten en andere onderwijsprofessionals gedrag dat afwijkt van hun verwachtingen al snel bestempelen als een probleem van het kind. Daardoor wordt er minder snel gekeken naar wat wij als school kunnen doen: ons gedrag, onze taal, ons handelen en de omgeving aanpassen. Vanuit die ervaring heb ik deze blog geschreven.

Uiteraard ben ik ook benieuwd naar jouw verhaal. Ik nodig je uit om het te delen met mij en eventueel ook hier in een blogpost. Neem contact met mij op via mail of via het contactformulier.

Voetnoten

  1. Stichting NIVOZ (Nederlands Instituut voor Onderwijs en Opvoedingszaken) is een vrijplaats voor reflectie en dialoog. Hun missie: leraren en schoolleiders sterken in de pedagogische opdracht. Meer op www.nivoz.nl.

  2. Bron: https://www.sfk.nl/publicatie/2025/farmacie-cijfers/aantal-gebruikers-van-adhd-medicatie-52

  3. Bron: https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2520474-deel-huisartsen-zwicht-voor-druk-ouders-en-scholen-bij-voorschrijven-adhd-medicatie

  4. Bron: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/kamervragen/detail?id=2016Z06140&did=2016D12730

  5. Bron: https://open.overheid.nl/documenten/4adfc5a7-26bd-42a5-80e4-3ca604b459ef/file

Krijg nieuwe blogs direct in je inbox – kort, praktisch en herkenbaar