Voor schoolleiders PO: gratis e-book 📥 Praktisch met Lef Wijzer
Praktische werkvormen voor morele reflectie, direct toepasbaar in jouw praktijk.

Het geluid van de dichtslaande deur galmde nog lang na

Zorgethische reflectie over macht en positie in de relatie tussen ouders en school

7/27/202614 min read

Het geluid van de dichtslaande deur galmde nog lang na
Het geluid van de dichtslaande deur galmde nog lang na

In dit essay kijk ik door een zorgethische lens naar een ervaring uit mijn eigen praktijk als schoolleider. Ik werd me bewust van het machtsverschil in de relatie ouder en school. Zorgethica Joan Tronto omschrijft zorg als alles wat we doen om de wereld leefbaar te houden. En onderwijs is onderdeel van die wereld. Deze relationele ethiek helpt zichtbaar maken wat er in de ontmoeting tussen ouder en school gebeurt.

De klassenindeling

Hoewel het lang geleden is, blijft de volgende herinnering mij altijd bij. Op een ochtend zat ik achter mijn bureau. Mijn deur was, zoals altijd, open toen een moeder binnen kwam lopen. Ik kende haar vrij goed. Ze zat in de ouderraad en was ook actief als overblijfmoeder. Ze kwam wel vaker zo in de ochtend even binnenwippen om iets tegen me aan te houden of gewoon een kletspraatje te maken. Ze nam plaats op de stoel tegenover mij, keek me vastberaden aan en zei: ‘Christian komt volgend jaar niet in die combigroep, anders haal ik hem van school.’

De klassenindeling was de dag ervoor aan de kinderen verteld en daarna ook aan de ouders schriftelijk medegedeeld. Het team had er weken over gedaan. Alles was zorgvuldig afgewogen. Er was gekeken naar onderlinge verhoudingen en vriendschappen, en ook de groepsdynamiek en leerbehoeften hadden een rol gespeeld. Ik had mijn antwoord al klaar voordat ze was uitgesproken. ‘De indeling staat vast, en we gaan er ook niets aan veranderen,’ zei ik. Ik voegde eraan toe dat ik haar zorgen serieus nam en ook graag wilde horen wat zij en Christian van de nieuwe indeling vonden. Ik vond mezelf professioneel, beleefd, en heel belangrijk, ook duidelijk.

Vervolgens herhaalde zij haar dreigement. Ik antwoordde rustig dat we haar zoon nauwlettend, in afstemming met haar, zouden volgen in de nieuwe klas. Het was niet voldoende voor haar. Ze vroeg hoe ze hem kon uitschrijven. Ik vertelde haar dat die procedure pas van start ging als zij hem bij een nieuwe school zou aanmelden. Ze stond boos op en liep weg. Ze trok de deur heel hard achter zich dicht. Dat geluid drong tot ver in de school door. Een paar dagen later ontving ik een telefoontje van de andere school.

Ik bleef achter met een gevoel van ongemak. Niet omdat zij besloot om weg te gaan, dat was haar keuze. Maar over hoe het gesprek was gegaan. Over hoe ik mijn antwoord al klaar had voordat zij haar verhaal had gedaan. Ik had gelijk als je het bekijkt vanuit de regels. Wij als school bepalen de klassenindeling, daarnaast hadden we zorgvuldig gehandeld. Tegelijkertijd wist ik al wat ik ging zeggen voordat zij was uitgesproken. Waarom had ik niet eerst gevraagd waarover zij zich zorgen maakte. Ik vond het op dat moment belangrijker om duidelijk te zijn, geen verwachtingen te wekken. Die duidelijkheid, creëerde geen ruimte en het was niet zo zeer duidelijk, maar een grens, en ik was degene die de grens bepaalde. Zij kon alleen maar ja of nee zeggen, blijven of weggaan, en ze koos voor weggaan.

Later die dag kreeg ik van het team complimenten. Ze vonden dat ik het goed had gedaan. ‘We mogen hier niet in meegaan.’ Ze hadden wellicht gelijk, maar zo voelde het niet. Alsof iets wezenlijks over het hoofd was gezien. Het team steunde me en herinnerde me eraan dat principes nodig zijn om structuur en veiligheid te waarborgen. Maar hun bevestiging legde ook bloot hoezeer mijn duidelijkheid werd gedragen door een gedeelde overtuiging. Wij bepalen de regels en doen dat zorgvuldig. Het team gaf me gelijk en ik gaf mezelf gelijk. Deze overtuigingen versterkten elkaar en reduceerden de ruimte voor de stem van die moeder tot nul. Achteraf zie ik dat mijn duidelijkheid meegroeide in een strijd om wie het voor het zeggen had. De schoolcultuur gaf mij gelijk, en dat gelijk maakte het wij-zij alleen maar scherper. Dat is de verstrengeling die ik destijds niet zag.

Dat gesprek ging niet over een klassenindeling die niet paste bij haar verwachting. Het ging over wie er mag bepalen wat er gebeurt. In die school, op dat moment, was ik dat. Ik was de directeur, de regels van de school, de wet en het team stonden aan mijn kant. Zij, als moeder, stond alleen. En het kind? Het kind was de aanleiding, maar in de loop van het gesprek raakte het buiten beeld.

Ik analyseer deze ervaring op drie niveaus: het gesprek met de moeder (micro), de school als organisatie (meso), en de leerplicht als institutioneel kader (macro). Door ze in samenhang te bekijken, zien we waarom ouders zich soms machteloos voelen en waarom wij als professionals onbedoeld die machteloosheid versterken.

De geleefde ervaring - het gesprek met de moeder

In de zorgethiek staat de vraag centraal wat goede zorg is in deze specifieke situatie, met oog voor de subjectieve beleving van zowel wie zorgt als wie zorg ontvangt. Zorgethiek reflecteert niet alleen op wat goede zorg is in een specifieke situatie. Zij vraagt ook om te kijken naar de posities van zorgontvangers en zorggevers. In de relatie tussen ouder en school is de ouder nooit zelf de zorgontvanger, dat is het kind. Toch treedt de ouder op als vertegenwoordiger van de zorgvraag en komt daardoor in een fundamenteel kwetsbare positie. Hij is degene die de zorgbehoefte van zijn kind bij de school neerlegt en ondervindt de asymmetrie van die relatie. Zorgethica Annelies van Heijst benadrukt in een interview over ‘Zorgethiek als cultuurkritiek’ dat het van belang is om te reflecteren op de fundamenteel andere positie van zorggever en zorgvrager (Van Wijngaarden & Lobregt-van Buuren, 2011). Wie zorgt, oefent invloed uit, dat is inherent aan zorg. En juist daarom stelt zorgethiek de vraag naar macht en positie centraal. Zodat er zichtbaar wordt wat er in de ontmoeting gebeurt.

In mijn gesprek met die moeder had ik de macht om het gesprek te bepalen. Van Heijst gebruikt het Franse woord pouvoir, macht als vermogen, niet alleen als overheersing. Zij stelt dat zorgverlening altijd invloed uitoefent op de ander. Wie zorgt, oefent invloed uit op de ander en diens bestaan. Dat gebeurt op vraag van de ander, maar het kan weerstand oproepen, frustratie, boosheid, soms agressie. Niet omdat de zorgvrager ondankbaar is, maar omdat afhankelijkheid een complexe verhouding is waarin je je eigen verantwoordelijkheid houdt, ook als je hulp nodig hebt.

In haar interview geeft Van Heijst een voorbeeld van een zorgvrager die agressief afreageert op de hulpverlener. De machtsbalans is voortdurend in beweging, en zorgvragers oefenen soms tegenmacht uit door dwingend te zijn of obstructie te plegen. Toen die moeder dreigde met vertrek, was ze niet alleen boos over een klasindeling. Ze liet mij voelen dat ik macht had en dat zij die macht niet wilde ondergaan zonder iets terug te zeggen. Zij oefende tegenmacht uit.

Zorgethica Joan Tronto (2013) onderscheidt vijf fasen in elk zorgproces. Deze fasen helpen om te zien hoe de school de zorg organiseerde. De eerste fase is caring about: het team merkte op dat er voor alle kinderen een evenwichtige klassenindeling nodig was. De volgende fase gaat over taking care of. Het schoolteam nam de verantwoordelijkheid en wogen didactische en sociale factoren af. De derde fase is care-giving: de indeling werd gemaakt en per brief gecommuniceerd. Op dat punt betrad de moeder het proces. Volgens Tronto moet elke zorgfase openstaan voor de reactie van de betrokkenen, care-receiving, de vierde fase en uiteindelijk uitmonden in gedeelde zorg, de laatste fase namelijk caring with. Maar wij hadden de eerste drie fasen al gesloten voordat de moeder haar zorgen kon uiten. Haar stem, die informatie over haar kind had kunnen inbrengen, was niet voorzien. De vierde fase negeerde ik, en aan de vijfde fase, waarin school en ouder samen verantwoordelijkheid dragen voor het welzijn van het kind, kwamen we niet toe. Haar dreigement om haar kind van school te halen was een direct gevolg van die overgeslagen fase. Het was de enige manier waarop zij nog kon laten voelen dat haar stem niet had mogen ontbreken. Het conflict ging daarom niet alleen over de indeling, maar over de vraag of de ouder een plek heeft in het zorgproces, of slechts een ontvanger van onze besluiten.

Van Heijst laat zien dat zorg verlenen nooit neutraal is. Elke keer dat ik een ouder te woord sta, beïnvloed ik die ouder, soms onbedoeld. In dat gesprek had ik invloed op haar omdat ik mijn antwoord al klaar had. Dat was niet zozeer een bewuste keuze. Het zit in de structuur waarop dat proces binnen de school wordt vormgegeven.

De school als organisatie

Hoe die organisatiecultuur doorwerkt, merkte ik al in mijn eerste jaar als leerkracht. Toen ik als beginnend leerkracht mijn eerste ouderavond had, werd ik gewaarschuwd voor de ouders van Valerio. Mijn collega’s vroegen of ik het gesprek met de ouders van Valerio alleen zou voeren. Want, zo zeiden ze, die waren niet de makkelijkste. Ik zag de verbazing in hun ogen toen ik zei dat ik ze alleen zou ontvangen. Zij regelden dat de intern begeleider die avond ook op school bleef. Voor het geval dat het nodig was. Toen ik de ouders van Valerio ontmoette, verliep het gesprek gemoedelijk. We spraken over hun zoon, over wat hij nodig had.

Aan het einde van het gesprek liep ik met hen mee naar de deur, we stonden nog even na te praten in de gang. De intern begeleider keek mij na afloop verbaasd aan. Hij had de ouders ontspannen en lachend weg zien gaan. Dat was niet in lijn met de gesprekken die collega’s in de voorafgaande jaren met hen hadden gevoerd. Wat er anders was gegaan? Dat weet ik niet. Ik was niet bij die eerdere gesprekken geweest. Maar ik had me niet laten beïnvloeden door de verhalen van mijn collega’s over deze ouders. Ik was gewoon nieuwsgierig naar wie zij waren.

Zorg speelt niet alleen tussen twee mensen. Een school is ook een organisatie. Daar spelen de cultuur van het team, de manier waarop er over ouders gesproken wordt en de ongeschreven regels een rol. Dat zag ik aan de waarschuwing voor Valerio’s ouders. Sociologe Christien Brinkgreve wijst op die definitiemacht: gedrag van minder machtigen wordt eerder als negatief gelabeld dan dat van mensen met meer macht en status (2014). De waarschuwing was geen neutrale informatie. Het was een label, doorgegeven in de wandelgangen, dat een verwachting schiep voordat ik hen ooit had gezien. Als ik hen had ontmoet met dat beeld in mijn hoofd, was ik gaan zoeken naar bevestiging.

Van Heijst benadrukt dat in georganiseerde zorg de kloof tussen de positie van professional en die van hulpvrager groot is. Zorgontvangers hebben als individu heel weinig macht. Zij maken de spelregels niet. De professional ziet het kind in de schoolse context en beschikt over inhoudelijke kennis van het onderwijs en van de organisatie. De ouder ziet datzelfde kind in een andere werkelijkheid: thuis, in interactie met gezins- en familieleden, met vriendjes en buurtkinderen, in allerlei gemoedstoestanden. De ouder weet hoe het kind slaapt, of het eetlust heeft, of verdrietig is. Dat is zijn expertise, een context die de school niet ziet en die in het gesprek vrijwel niet meetelt. En hoewel de ouder de eindverantwoordelijkheid draagt, gebeurt er in ouder-schoolgesprekken vaak iets anders. Juist de school legt het ouderschap langs een lat, alsof wij kunnen beoordelen of de ouder het wel goed genoeg doet.

Jaren later, als directeur op een school waar de relatie met ouders moest worden hersteld, zag ik hetzelfde patroon. Het team sprak over ‘lastige ouders’. Dat etiket zei minstens zoveel over onze ongeschreven normen als over de ouders zelf. Wie niet paste in onze verwachting van betrokkenheid, was al snel lastig. Er gingen in de wandelgangen verhalen over ouders rond. Ik zag die diepe zucht na een telefoontje of de blikken bij het binnenkomen van bepaalde ouders. Ik weet zeker dat hun intenties goed waren. Maar die verhalen bepaalden wel de ruimte die een ouder kreeg voordat hij zijn mond had opengedaan. Ik besloot toen om de gesprekken juist aan te gaan met ouders die het team liever zag gaan dan komen.

Ik probeerde niet de ‘lastige ouder’ te temmen, maar de definitiemacht van de school bewust te verzwakken door ruimte te maken voor het ongehoorde verhaal. Het was een bescheiden poging tot caring with op schoolniveau. Waar zorgen een gedeelde verantwoordelijkheid is en waarbij de stem van de ouder het vertrekpunt is in plaats van het sluitstuk. Tevreden ouders vertellen me wat goed gaat. Ontevreden ouders vertellen me wat ik nog niet zie. Lastige ouders bestaan in mijn ogen niet. Er zijn wel ouders die zich niet gezien en gehoord voelen, los van de vraag of ze hun gelijk krijgen.

Leerplicht als institutioneel kader

De leerplicht is het zichtbaarste maar minst besproken machtsmiddel in de ouder-schoolrelatie. De Leerplichtwet van 1900 was onderdeel van de kinderbeschermingsbeweging. Kinderen moesten beschermd worden tegen verwaarlozing door hun eigen ouders en tegen uitbuiting op de arbeidsmarkt. De overheid trad op de plaats van de ouder als die zijn plicht verzaakte. Ontzetting uit de ouderlijke macht was het uiterste middel. In de ontmoeting tussen school en ouder kan dat historische wantrouwen ongemerkt meespelen. De veronderstelling dat ouders niet altijd het beste voorhebben met hun kind en dat de overheid, en dus de school, beter weet wat goed is, is nooit helemaal verdwenen. Diezelfde wet geeft de ouder ook het ouderlijk gezag en daarmee het recht om mee te beslissen over het kind. Dat recht raakt in de dagelijkse schoolpraktijk soms uit beeld, juist omdat de leerplicht zo dominant aanwezig is.

In de loop van de tijd zijn er andere visies bijgekomen, zoals emancipatie, gelijke kansen, persoonlijke ontwikkeling en burgerschapsvorming. De leerplicht is niet meer alleen bescherming tegen ouders. Maar de oorspronkelijke constructie werkt nog altijd door. De school wordt van nature gezien als goed, de ouder als potentieel risico. De school kan zich, onbewust, gesteund voelen door de wet en door de morele opdracht om voor het kind op te komen. Die vanzelfsprekendheid maakt het lastig om te zien dat de ouder zich aan de andere kant van diezelfde wet juist machteloos kan voelen.

Socioloog Mieke van Stigt schrijft dat de leerplicht nu vooral één kant op beschermt (2016). Scholen worden beschermd tegen kritiek, ouders staan onmachtig tegenover de school en de leerplichtwet. De onderwijsinspectie gaat niet in op individuele gevallen. Ouders die opkomen voor hun kind worden al snel als lastig gelabeld. Dit is precies wat Van Heijst beschrijft als de institutionele verankering van macht. De zorgontvanger, in dit geval de ouder, staat centraal en is marginaal tegelijk.

Volgens Filosoof Michel Foucault roept macht altijd weerstand op (1975/1995). Die weerstand is geen teken van een lastige ouder. Het geeft weer dat de machtsbalans voortdurend in beweging is. De ouder probeert tegenmacht uit te oefenen, soms door dwingend te zijn, soms door te dreigen met weggaan. Wat als we hun weerstand niet zien als tegenwerking, maar als een spiegel? Het is informatie over wat de machtsstructuur met mensen doet. Daarnaast laat die weerstand ook inzien dat de zorgrelatie op dat moment niet in balans is. De ouder ervaart geen ruimte om mee te zorgen en reageert op die uitsluiting. Vanuit Tronto's caring with is dat een signaal dat het samen de verantwoordelijkheid dragen voor het kind nog niet bestaat in deze ontmoeting.

De school heeft sinds de invoering van Passend Onderwijs een zorgplicht. Zij moet passend onderwijs bieden. In theorie maakt dat de machtsrelatie complexer, want de school is ook afhankelijk van de leerplichtambtenaar die toeziet op naleving. Maar in de praktijk voelt die zorgplicht voor ouders zelden als een steun. Het is de leerplicht die ze ervaren en voelen. En zolang de school doet wat de wet vraagt, staat de leerplichtambtenaar niet aan de kant van de ouder maar aan die van de school. De groeiende groep thuiszitters is het pijnlijke bewijs. De zorgplicht kan in de praktijk vastlopen in onmacht, waarbij de verantwoordelijkheid onbedoeld verschuift van school en bestuur naar ouders en kind.

Toch is de leerplicht niet alleen maar een instrument van uitsluiting. Dezelfde wettelijke kaders bieden scholen en ouders ook de mogelijkheid om samen op te trekken. Denk aan het ondersteuningsteam, waarin school, ouders en soms jeugdhulp gezamenlijk bekijken wat een kind nodig heeft. Daar wordt de leerplicht een gezamenlijk vertrekpunt, niet een stok achter de deur. Wat het verschil maakt, is of wij als professionals de wet in de ontmoeting brengen als schild of als uitnodiging tot gesprek. Wanneer we praten vanuit dat de wet ons verplicht, dan maken we de ouder tot object. Wanneer we de ouder vragen stellen over wat we samen voor het kind betekenen, dan erkennen we de ouder als medeverantwoordelijke. Caring with, op macroniveau, betekent dat we niet blind varen op de wetstekst, maar haar vertalen naar een democratische zorgpraktijk waarin ieders stem telt. Dat is precies waar Tronto op wijst: zorg moet niet alleen worden georganiseerd, maar ook worden vormgegeven met degenen om wie het gaat.

De leerplicht herbergt dus een paradox. Dezelfde wet die het kind wil beschermen, kan de ouder in de praktijk de mond snoeren. Niet omdat de wet dat per definitie doet, maar omdat de dagelijkse routines en vanzelfsprekendheden in het onderwijs haar vaak op die manier inzetten. Het gaat mij hier dan ook niet om de vraag of de leerplicht moet worden afgeschaft. De vraag is of we kunnen zien wat die wet doet in de relatie tussen ouder en school. Of we bereid zijn het wantrouwen dat erin besloten ligt te bevragen, zonder meteen te zeggen dat het anders moet. Juist omdat de wet ook uitnodigend kan werken, is het zo belangrijk om te zien wanneer we haar als schild gebruiken en wanneer als gespreksopener. Dat bewustzijn brengt je verder in de relatie dan een simpel gelijk of ongelijk.

Terug naar de ontmoeting

Ik heb geen antwoord waarmee je machtsverschillen oplost. Macht is er altijd, in elke relatie. Die macht speelt in de relatie ouders en school op alle niveaus. De wet gaf me rugdekking, het team stond achter me en zelf had ik mijn oordeel al klaar. De drie lagen zijn met elkaar verweven en versterken elkaar. De vraag is of we haar willen en kunnen zien.

Wat ik bij Valerio’s ouders wel deed, had ik bij die moeder nagelaten. Ik was nieuwsgierig naar hen, niet gehinderd door verhalen van collega’s. Er was ruimte om te horen wat zij over hun zoon wisten, en daardoor ontstond er contact. Bij de moeder die haar kind van school haalde, was die nieuwsgierigheid afwezig omdat ik duidelijkheid belangrijk vond. De ervaring met Valerio laat zien dat de structuur in een school niet alles bepaalt. Het laat zien dat responsiviteit een keuze is. De boosheid van de ouder zie je dan niet als aanval op het systeem, maar als een signaal om gehoord te worden. Van Heijst noemt dat het ontvangen van de ander in zijn kwetsbaarheid. De moeder die vertrok, liet me voelen dat zij uitgesloten was van het zorgproces. Haar dreigement was een noodkreet om opnieuw in dat proces betrokken te raken.

Wat als ik die ochtend niet had gezegd ‘we blijven bij deze indeling’, maar ‘ik hoor dat u zich zorgen maakt, ik kan nu niets beloven, maar ik wil begrijpen wat er achter uw vraag zit’? Misschien was de moeder alsnog weggegaan, en was de uitkomst hetzelfde geweest. Maar de weg ernaartoe was anders geweest. En dat is wat ons beiden was bijgebleven. Dat is de ethische ruimte die we hebben, hoe dwingend de structuur soms ook lijkt.

Ik heb deze ervaring niet alleen vanuit mijn rol als schoolleider. Ik ben ook ouder. Ik was al moeder van schoolgaande kinderen voordat ik de stap naar het onderwijs maakte. Ik weet hoe het voelt om aan de andere kant van het bureau te zitten, te hopen dat er echt geluisterd wordt, en te merken dat het antwoord al klaarlag voordat ik was uitgesproken. Ouder zijn is geen rol, het is een existentiële manier van zijn, met alle twijfels en onzekerheden die het ouderschap met zich meebrengt. En daarmee dus ook kwetsbaar maakt. Juist vanuit die ervaring van mijn eigen kwetsbaarheid als ouder, kijk ik naar de wijze waarop we ouders ontmoeten.

Tot slot

Wat de zorgethiek zichtbaar maakt, is dat goede zorg in de relatie tussen school en ouder niet alleen gaat over passend onderwijs. Het is een relationele praktijk waarin de professional de stem van de ouder niet behandelt als een hinderlijke onderbreking maar actief opzoekt als noodzakelijke kennisbron en als uiting van gedeelde verantwoordelijkheid voor het kind. Dat vraagt dat we onze eigen institutionele macht leren zien, en de moed hebben die te matigen als voorwaarde voor echte zorg. Alleen dan kan een democratische zorgpraktijk ontstaan waarin school en ouder samen zorgen, elk met hun eigen expertise en allebei met het kind in het centrum.

En dan kom ik terug bij de vragen die mij sinds die ochtend bezighouden. Hoe vaak hebben we een beeld van de ouder voordat we deze ontmoeten, of het antwoord al klaar voordat we het gesprek ingaan? Wat zien we, wanneer we niet eerst ons gelijk zoeken, maar eerst die ander ontmoeten, vanuit nieuwsgierigheid? En welke ongelijkheid wordt dan zichtbaar? Wat gebeurt er als we even loslaten dat die ander ‘de ouder van een leerling’ is, en hem ontmoeten als mens?

Over de auteur

Antoinette Smit is zorgethicus en voormalig schoolleider. Ze werkte in het bedrijfsleven, de lokale politiek en het Utrechtse onderwijs en leerde daardoor door meerdere brillen tegelijk kijken. Ze spreekt de taal van de bestuurstafel en die van de klas. Op Praktischmetlef, een kennisplatform voor moreel leiderschap in het onderwijs, schrijft ze over haar eigen ervaringen en die van andere schoolleiders en ontwikkelt werkvormen voor ethische reflectie. Ze schreef diverse essays waaronder een essay over de relatie ouders en school 'Zien we de ouder wel'.

Als sparringpartner stelt ze vragen over wat er wel en niet benoemd wordt. Over kwetsbaarheid, macht, context en wat er speelt tussen mensen. Haar drijfveer? Een kansrijke omgeving voor alle kinderen, samen met de mensen die elke dag het verschil maken

Bronnen

  • Brinkgreve, C. (2014). Gezag en veiligheid in het openbaar bestuur. In Gezag en veiligheid in het openbaar bestuur: Essays over het gezag en de veiligheid van overheidsmedewerkers en politieke ambtsdragers (pp. 25-32). Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • Foucault, M. (1995). Discipline & punish: The birth of the prison (A. Sheridan, Trans.; 2nd ed.). Vintage Books. (Original work published 1975)

  • Tronto, J. C. (2013). Caring Democracy: Markets, Equality, and Justice. Amsterdam University Press.

  • Van Stigt, M. (2016, 11 november). Ouders zijn onmachtig tegenover de school. Sociale Vraagstukken. https://www.socialevraagstukken.nl/ouders-zijn-onmachtig-tegenover-de-school/

  • Van Wijngaarden, E., & Lobregt-van Buuren, E. (2011). Zorgethiek als cultuurkritiek: In gesprek met Annelies van Heijst, hoogleraar Zorg, Cultuur en Caritas. Wapenveld, 61(2), 4–9. https://wapenveldonline.nl/artikel/1000/zorgethiek-als-cultuurkritiek/

Krijg nieuwe blogs direct in je inbox – kort, praktisch en herkenbaar