Voor schoolleiders PO: gratis e-book 📥 Praktisch met Lef Wijzer
Praktische werkvormen voor morele reflectie, direct toepasbaar in jouw praktijk.

Zien we de ouder wel?

Een zorgethisch perspectief op de relatie ouders en school

5/5/202633 min read

Dit essay gaat over de relatie tussen ouders en school. Niet over hoe we vanuit school die relatie kunnen verbeteren of wat ouders daaraan kunnen bijdragen. Daar is al genoeg over geschreven. Het gaat over de vraag of we als onderwijsprofessional wel helder hebben wat we bedoelen als we het hebben over samenwerken met ouders.

In beleidsstukken, schoolgidsen en op websites van scholen en besturen zien we steeds dezelfde taal terug. Ouders zijn onze partners, we doen het samen, we zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het kind. De Onderwijsraad verwoordt het als volgt: zodra kinderen naar school gaan, wordt hun ontwikkeling een gedeelde zorg van ouders en school. Dat vraagt om vertrouwen en afstemming. Het klinkt allemaal mooi. Maar wat betekent het in de praktijk? Wat verwachten we van elkaar als we zeggen dat we samenwerken? En stemt dat beeld overeen met wat ouders ervaren?

Ik schrijf dit essay vanuit mijn eigen ervaring. Eerst als moeder, later als leerkracht en weer later als schoolleider. Die rollen zijn voor mij nooit gescheiden geweest. Het moederschap kleurde hoe ik naar ouders keek, hoe ik hen benaderde en ook hoe ik hen aanvoelde. Het bracht me steeds weer bij hetzelfde besef, namelijk dat er tegenover mij een ouder zit. Iemand die het beste wil voor zijn kind. Iemand met een diep gevoel van verantwoordelijkheid, de daarbij horende twijfels en ook zeker met de kwetsbaarheid van ouder-zijn.

Dat besef is lang niet altijd vanzelfsprekend in het onderwijs. De gangbare manier van denken over samenwerking met ouders is vaak instrumenteel. We vragen van hen dat ze thuis voorlezen, dat ze helpen bij activiteiten, dat ze meedenken over schoolse zaken. We praten met hen over hoe we de prestaties van hun kind, onze leerling, kunnen verbeteren. We noemen hen partners. Maar we kijken zelden naar wat er achter dat partnerschap schuilgaat. Naar de beelden die we hebben van wat goed ouderschap is. Of naar de aannames die we koesteren over wat ouders zouden moeten doen. En al helemaal niet naar de oordelen die we vellen als het anders loopt dan wij in gedachten hadden.

De Onderwijsraad signaleert dat de relatie tussen ouders en scholen steeds vaker onder druk staat. Ouders voelen zich niet altijd gehoord, terwijl scholen een toenemende druk vanuit ouders ervaren. Het aantal geschillen neemt toe. Er is sprake van spanning en wederzijds onbegrip.

Dit essay is een poging om die spanning te onderzoeken. Niet door te kijken naar wat ouders verkeerd doen of naar wat scholen beter moeten regelen. Maar door stil te staan bij de vraag wat we van elkaar verwachten als we zeggen dat we samenwerken. En wat dat zegt over hoe we naar ouders kijken.

Ik doe dat door terug te gaan naar mijn eigen ervaring als moeder. Ik beschrijf wat dat met me deed en hoe dit me later als onderwijsprofessional beïnvloedde. Vervolgens verbind ik die ervaringen met inzichten van zorgethische en aanverwante denkers. Twee vragen staan daarbij centraal. Wat bedoelen we als we zeggen dat we samenwerken met ouders? En wat vraagt dat van ons?

Moeder worden

Op de dag dat ik besefte dat ik zwanger was, overviel me een gevoel van verantwoordelijkheid dat ik nog nooit eerder zo groots had gevoeld. Er groeide iets kleins in mij, volledig afhankelijk van mij. Het besef dat als dit wezentje iets zou overkomen, mij dat tot in mijn diepste kern zou raken, met alles wat ik ben. Het was een overweldigend gevoel, veel groter dan ik, voor dat kleine leven in mij. Er was blijdschap, zeker, maar op dat moment was dat gevoel zoveel sterker. Een intens moment dat me altijd is bijgebleven. Ik weet nog precies waar ik was. Er was heel kort het gevoel van een lichte paniek maar al snel daarna omarmde ik die verantwoordelijkheid.

Ik was voortaan onlosmakelijk verbonden met dit kwetsbare begin van mens-zijn.

De ontluikende kwetsbaarheid

Vanaf het moment dat mijn zoon geboren was, werd ik overspoeld met goedbedoelde adviezen. Van de kraamhulp, van het consultatiebureau, van familie, zelfs van mensen die op kraamvisite kwamen. Iedereen wist wat het beste was. Maar niemand wist hoe het was om mij te zijn, vooral in die eerste weken.

Zo werd bij hem, vier dagen oud, bij het huisbezoek van de huisarts een ruisje geconstateerd. We moesten gelijk door naar het ziekenhuis. We hielden samen ons kleine mannetje vast voor het grote röntgenapparaat, zijn kleine hoofdje een beetje bungelend. Terwijl we hem omhooghielden, voelde ik de warme tranen over mijn wangen stromen. Daarna werden er heel wat flesjes bloed afgenomen. Ik dacht dat ze hem leegpompten, zoveel. Het ruisje bleek een gaatje in zijn hartje, maar op een gunstige plek. Met een jaar zou het zijn dichtgegroeid.

Ik koos ervoor om borstvoeding te geven. Het lukte niet zoals ik hoopte. Mijn zoon groeide minimaal in gewicht. Als ik er nu aan terugdenk, voel ik direct weer de spanning die dat dagelijkse weegmoment opriep. Op het consultatiebureau wreef de verpleegkundige over zijn fontanel. Ze liet het mij ook voelen. Er was een kleine ingevallen ruimte voelbaar en deze was ook een beetje zichtbaar. Dit betekende, zo lichtte ze toe, dat hij te weinig vocht binnenkreeg. Terwijl ze dit zei, keek ze mij aan. Ik voelde me ter plekke instorten. Ik was mijn kind aan het verhongeren, dat voelde zo slecht. De opdracht was dat ik moest gaan bijvoeden met flessenvoeding, maar ik had geen idee wat genoeg was. Met als gevolg dat ik te veel gaf. Hij werd er zo misselijk van dat hij begon te spugen. Ik zie het nog zo voor me, hij zo klein en brakend, tot gal aan toe. Ik werd overvallen door onzekerheid en het gevoel dat ik het niet goed deed. Ik heb er heel wat tranen om gelaten.

Het waren geen grote drama's, ik weet dat andere ouders veel zwaardere dingen meemaken. Maar het waren mijn drama's. Mijn eerste ervaring met wat het betekent om verantwoordelijk te zijn voor een leven dat volledig van mij afhankelijk is, en te ontdekken dat ik niet wist hoe het moest.

Maar gelukkig was er ook mijn moeder. We woonden niet dichtbij elkaar, maar in dat eerste jaar belde ik haar bijna elke dag. Vooral voor het verzorgende stuk, zoals advies over eten, slaapjes, alles waar ik tegenaan liep in praktische zin. Mijn moeder was al jong moeder van vijf kinderen en werkte later met baby's in de kinderopvang. Voor mij was en is ze nog steeds de expert van het jonge kind.

De vanzelfsprekendheid van adviezen

De stroom van ongevraagde adviezen hield niet op. Soms volgde ik ze op maar meestal legde ik ze naast me neer. Zoals het advies om mijn kindje niet bij me in bed te nemen. Dat vertelde ik dan maar niet. Mijn geheimpje. Ik deel het nu. Maar alle drie mijn kinderen hebben tot zeker negen maanden bij ons in bed gelegen, tegen alle adviezen in. Mijn credo was, negen maanden in de buik, negen maanden op de buik. Ze werden er rustig van en ik ook.

Toen mijn oudste naar de peuterspeelzaal ging, vroeg de juf of we kapitein koekje mee wilden geven in plaats van een gesneden ontbijtkoek in een zakje. Later op school was het niet anders. Iedereen leek te weten hoe het moest, en jij als ouder zoekt je weg tussen al die stemmen.

Wat me gaandeweg begon op te vallen, was de vanzelfsprekendheid ervan. De vanzelfsprekendheid waarmee iedereen adviezen gaf over de opvoeding van mijn kind. Alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat iedereen om je heen bepaalt wat goed is voor jouw kind.

Een eigen weg

Die vanzelfsprekendheid deed iets met mij. Ik leerde ermee omgaan door steeds weer af te wegen hoe belangrijk ik het advies vond voor mijn kind. Ik keek naar hem. Hoe hij op mij reageerde, op zijn vader en op de wereld om hem heen. Zo ontwikkelde ik langzaam mijn eigen manier van moederschap, een manier die bij hem paste, bij ons als ouders en bij mij als mens.

En dat was zo kwetsbaar. Want elke keer als iemand iets vond, werd dat evenwicht doorbroken en voelde ik me ter discussie gesteld. In die momenten besefte ik des te sterker wat ik al voelde vanaf het allereerste begin. Ik ben, samen met zijn vader, verantwoordelijk voor hem en niemand anders. En die verantwoordelijkheid draag ik, elke dag opnieuw.

Die ene zin op het rapport

Een voorval uit de schooltijd van mijn oudste wil ik hier delen, omdat het me altijd is bijgebleven. Mijn zoon was destijds zeven. Op een middag kwam hij thuis uit school, gooide zijn tas in de hoek en was niet aanspreekbaar. Pas later die avond vond ik de oorzaak. In zijn schoolrapport stond geschreven: ‘Morris verpest de sfeer in de klas.’ Hij had het zelf gelezen. Zijn boosheid kwam voort uit een diepe geraaktheid.

Tijdens de ouderavond vroeg ik zijn leerkracht wat ze ermee bedoelde. Ze gaf een voorbeeld van die ochtend. Na het speelkwartier zou de klas Huisje Boompje Beestje kijken. Morris riep bij het zien van het programma: ‘Hè, gatver!’ Dat was storend, zei ze. Dat verpestte de sfeer. Want er zijn kinderen die het wel leuk vinden. Vervolgens vertelde ik haar dat Morris thuis het liefst naar National Geographic keek. Zijn reactie was wellicht een gebrek aan filter maar zeker niet van kwade wil. Overigens waardeerde ik het dat de leerkracht met ons deelde wat ze in de klas zag. Ik vond de wijze waarop bijzonder en zeker niet passend. Rapporten worden ook gelezen door opa en oma. Ik had het liever gehad in een gesprek en als een beschrijving in plaats van een oordeel.

Naar de andere kant van de tafel

Een paar jaar later werkte ik zelf in het onderwijs. Eerst als leerkracht, daarna als schoolleider. Opeens zat ik aan de andere kant van de tafel en kregen mijn ervaringen een nieuwe betekenis. Ik ontdekte dat de moeder in mij me hielp om te begrijpen wat er in gesprekken met ouders werkelijk toe deed.

Mijn eerste ouderavond maakte dat meteen concreet. Ik werd van tevoren gewaarschuwd voor de ouders van Valerio. Lastig, zeiden collega's. Ik moest oppassen. Dus zij regelden dat de intern begeleider die avond ook op school bleef, voor de zekerheid.

Ik ontmoette de ouders, gewoon twee mensen. We praatten over hun zoon, over wat ik zag in de klas, en zij deelden met mij hun ervaringen met hun zoon, over wat zij herkenden en wat zij zagen. Aan het einde van het gesprek liepen we lachend de gang op. De intern begeleider kwam verbaasd uit zijn kamer lopen. Wat had ik anders gedaan? Ik had werkelijk geen idee. Ik had me alleen niet laten beïnvloeden door de waarschuwingen van mijn collega's. Ik was nieuwsgierig naar de ouders van Valerio; wie ze waren en hoe zij hun kind zagen.

Die ervaring bleef me bij. Jaren later, als schoolleider, merkte ik hoe gemakkelijk beelden ontstaan. In de wandelgangen, in de lerarenkamer, in een zucht na een telefoontje. Geen kwade intenties, gewoon menselijk. Maar het bepaalt wel de ruimte die een ouder krijgt.

In mijn tijd als directeur stond mijn deur altijd open. Dat wisten ouders. Ze kwamen regelmatig binnen, met vragen, met zorgen, en heel soms ook met niets, gewoon voor een praatje. Wat me opviel, was hoe vaak ze zich verontschuldigden dat ze er waren. Alsof ze zich moesten verdedigen voor hun komst.

Diverse ouders met een migratieachtergrond vertelden dat hun eigen ouders nooit naar school durfden. Die hadden de taal niet, kenden de cultuur niet, wisten niet hoe het werkte. School was voor hen een gesloten deur. En nu zaten hun kinderen hier, op deze school, en kwamen zij wel. Ze zeiden het verontschuldigend. Alsof ze zich afvroegen of ze het recht hadden om er te zijn. Ik antwoordde zoals ik altijd deed naar ouders: ‘goed dat je hier bent. Je bent hier voor je kind, en dat doet ertoe.

Wat ik in mijn eigen praktijk zag, de afstand in de relatie tussen ouders en school is geen incident. Het past in een breder patroon. De afgelopen jaren verschenen er steeds meer onderzoeken en berichten over de gespannen relatie tussen ouders en school.

Wat onderzoek en media laten zien

Uit de Landelijke Veiligheidsmonitor 2021-2022 blijkt dat in het primair onderwijs een aanzienlijk deel van het personeel te maken krijgt met grensoverschrijdend gedrag. Zo heeft 17 procent van het personeel in het primair onderwijs te maken met verbaal geweld, variërend van eenmaal per maand tot vaker (Lodewick e.a., 2023). In totaal is er onder het personeel in zowel het po als het vo een stijging van zes procent in geweldsincidenten ten opzichte van 2021.

Uit een verkenning van het Arbeidsmarktplatform PO onder 2.300 medewerkers blijkt dat ouders een van de hoofdbronnen van ongewenst gedrag zijn. Vier op de tien krijgen incidenteel te maken met verbale agressie van leerlingen of ouders; een op de tien ervaart dit vaak tot zeer vaak. Ook fysieke agressie, bedreiging en intimidatie door ouders komen voor. Medewerkers die sociale onveiligheid ervaren, zijn vaker emotioneel uitgeput en hebben een grotere herstelbehoefte na het werk (Wisse, De Rooij & Van Nuland, 2025).

Recent onderzoek van CNV en EenVandaag onder ruim 450 onderwijsmedewerkers bevestigt dat het om een structureel probleem gaat. 43 procent van hen heeft fysiek geweld meegemaakt, 85 procent kreeg te maken met verbaal geweld of bedreiging. CNV-bestuurslid Daniëlle Woestenberg spreekt van een structureel veiligheidsprobleem. Ruim een kwart van de respondenten overwoog van school te wisselen of het onderwijs te verlaten. Ook blijkt 27 procent bepaalde onderwerpen in de les te mijden uit angst voor intimidatie.

Daarnaast blijkt uit de monitor dat 55 procent van de leraren in het primair onderwijs niet weet of de aanpak van daders van agressie- en geweldsincidenten op hun school goed geregeld is (Lodewick e.a., 2023). Ook het aantal geschillen bij de Commissie passend onderwijs is fors toegenomen. In 2024 werden 242 geschillen behandeld, een stijging van bijna 30 procent ten opzichte van het jaar ervoor. De meeste geschillen gingen over verwijdering van leerlingen in het primair onderwijs.

Of de spanning tussen school en ouders daadwerkelijk toeneemt, of dat we er simpelweg meer zicht op krijgen, is lastig vast te stellen. De cijfers wijzen in ieder geval op een structureel probleem dat de afgelopen jaren nadrukkelijker op de agenda is komen te staan. Het is een spanning die ik zelf herken uit gesprekken met collega's.

Op macroniveau wordt inmiddels volop gezocht naar oplossingen. Begin 2026 leidden het onderzoek van CNV en EenVandaag tot Kamervragen. Steeds meer scholen stellen protocollen op voor grensoverschrijdend gedrag van ouders. En per augustus 2026 worden de veiligheidsrichtlijnen aangescherpt met de Wet vrij en veilig onderwijs. Maar wat deze cijfers niet vertellen, is wat er werkelijk speelt in de ontmoeting tussen school en ouders. Hoe die spanning ontstaat, en wat haar in stand houdt. Daarvoor moeten we dichter bij de praktijk komen, bij de relationele werkelijkheid van alledag.

Pedagoog Lisette Bastiaansen biedt met haar onderzoek naar aandachtige betrokkenheid een inkijkje in die onderwijspraktijk.

Dicht bij de praktijk van school en ouders

Bastiaansen promoveerde in 2022 met haar proefschrift Aandachtige betrokkenheid. Tijdens haar onderzoek volgde ze leraren, ib'ers en schoolleiders in hun dagelijkse werk. Haar focus lag op de pedagogische relatie met leerlingen, maar gaandeweg kwam ook de relatie met ouders in beeld.

Wat haar onderzoek laat zien, is dat die relatie zelden eenvoudig is. Neem de casus van Dirk, een tienjarige jongen. Tijdens een intern overleg gaat het al snel niet over hem, maar over zijn ouders. De vader is onvoorspelbaar. Of de school nu wel of niet vraagt hoe het gaat, hij reageert boos. De moeder huilt tijdens gesprekken, maar er ontstaat geen opening. De ib'er verzucht: ‘Wij zien een kind lijden maar daar hebben we wel ouders bij nodig. Wij zijn ook maar onderwijs.’

Of het adviesgesprek waarin een vader fel reageert op het voorlopige vmbo-advies voor zijn dochter. Volgens hem raakt zij gedemotiveerd. De leerkracht ziet juist dat de druk voor het kind afneemt. Moeder zwijgt. De directeur moet op drie borden tegelijk spelen: het kind, de boze vader, de meegaande moeder. Ieder heeft een eigen waarheid en een eigen beleving.

En dan is er het verlangen van een intern begeleider naar hoe het vroeger ging. Waarbij leerkrachten en ouders samen klusten in de school en soep aten. 'Dan gaven ze toe: Luister, ik krijg het thuis ook niet voor elkaar.' Die informele momenten zijn verdwenen. Nu is er vooral contact als er iets mis is. Het gevolg is dat ouders sneller veeleisend overkomen, het onderlinge begrip neemt af.

Bastiaansen laat zien hoe complex de relaties zijn. Haar onderzoek is waardevol omdat het de worsteling van de professional zichtbaar maakt. Hoe blijf je in verbinding met ouders, terwijl je vasthoudt aan wat je voor het kind belangrijk vindt? Hoe geef je invulling aan een gedeelde verantwoordelijkheid, als verwachtingen uiteenlopen? Wat haar werk zichtbaar maakt, is dat aandachtige betrokkenheid naar ouders geen eenrichtingsverkeer is. Het is een relationeel vraagstuk.

In het werk van Bastiaansen lees ik de worstelingen van onderwijsprofessionals. Maar ik heb ze ook met eigen ogen gezien. Hoe collega's worstelen met de emoties die ouders bij hen oproepen, hoe ze het lijden van een kind of de boosheid van een ouder internaliseren. In het begin dacht ik dat het kwam doordat ik pas op latere leeftijd het onderwijs in was gegaan. Ik had niet geweten hoe ik zou hebben gereageerd als ik met 21 jaar voor de klas had gestaan. Aan de andere kant heb ik genoeg oudere collega's ontmoet die die worsteling nooit hebben leren dragen. En daarmee weet ik ook dat het niet om leeftijd alleen gaat. De jaren daarvoor hebben me ook gevormd. Ik heb dingen meegemaakt, zeker ook als kind, die me leerden om nabij te zijn zonder door de emoties te worden overgenomen. Om compassie te voelen, maar het lijden bij de ander te laten. Die houding is niet zozeer een kwestie van jaren, maar eerder van levensweg. Die kwetsbaarheid van de professional verdient net zoveel aandacht als die van de ouder. Juist door haar te erkennen en te leren dragen. En dat vraagt om een cultuur waarin vallen en opstaan erbij hoort, waarin je kunt groeien.

Wat werkt in de samenwerking

De vraag wat een succesvolle samenwerking tussen school en ouders inhoudt, is uitgebreid onderzocht. Ik beperk me tot twee onderzoeken die veel worden aangehaald in de Nederlandse discussie over ouderbetrokkenheid. De eerste is het promotieonderzoek pedagoog Mariëtte Lusse naar oudercontact in het Rotterdamse vmbo. Zij toonde aan dat een goede relatie, gebaseerd op vertrouwen, de basis vormt om alle ouders te bereiken, ook degenen die doorgaans als 'onzichtbaar' worden beschouwd (Lusse, 2013). Dit onderzoek legde de basis voor een praktijkgerichte aanpak. Samen met Annette Diender vertaalde Lusse deze inzichten naar het boek Samen werken aan schoolsucces: school en ouders in het vo en mbo (Lusse & Diender, 2014). Hierin worden tien in de praktijk getoetste succesfactoren gepresenteerd. Hun werk laat zien dat het niet alleen gaat om het organiseren van contact, maar om het realiseren van wezenlijke samenwerking. Die begint bij laagdrempelige en positieve ontmoetingen, investeren in persoonlijk contact, het uitspreken van wederzijdse verwachtingen en het erkennen van ouders in hun essentiële rol als opvoeder en begeleider van hun kind.

De vraag hoe scholen ouderbetrokkenheid effectief kunnen inzetten, stond centraal in de omvangrijke reviewstudie van Bakker, Denessen, Dennissen en Oolbekkink-Marchand (2013). Zij concludeerden dat ouderbetrokkenheid een positief effect kan hebben op leerprestaties en motivatie van leerlingen. Dit effect is echter niet vanzelfsprekend. Het hangt sterk af van de vorm van betrokkenheid en de manier waarop scholen en leraren deze stimuleren.

Uit hun analyse van tientallen studies blijkt dat met name de betrokkenheid van ouders thuis van groot belang is. De effecten van betrokkenheid op school of het formele contact met de leraar zijn vaak een stuk kleiner of zelfs afwezig. De auteurs benadrukken dat het niet zozeer gaat om de kwantiteit van contactmomenten, maar om de kwaliteit van de interactie. Dit vraagt van leraren een positieve en responsieve houding. Het erkennen van de eigen rol van ouders. Het geven van concrete en praktisch bruikbare adviezen. En het afstemmen van verwachtingen op de specifieke behoeften en mogelijkheden van ouders en leerlingen. Alleen dan kan ouderbetrokkenheid daadwerkelijk bijdragen aan gelijke onderwijskansen.

Recent verscheen er een oproep van het Nederlands Jeugdinstituut met de titel Werken aan een goede band met ouders: dit is waarom (2026). De folder erkent de kwetsbaarheid van ouders en roept professionals op om naast ze te gaan staan. Ook hier staat de professional centraal, want het gaat om wat de school kan doen om de band te verbeteren.

Wat deze onderzoeken en de oproep gemeen hebben, is dat ze uitgaan vanuit het perspectief van de school. Ze geven antwoord op de vraag wat onderwijsprofessionals nodig hebben en hoe we ouders daarin meekrijgen. Wat werkt voor ons?

Maar wat ontbreekt, is het perspectief van de ouder zelf. Wat voelt hij? Wat heeft hij nodig? Waarom reageert hij zoals hij reageert? Die vragen worden in beleid en praktijk zelden gesteld. Margreth Hoek onderzocht waarom dat zo is. In haar proefschrift uit 2008 analyseerde zij 23 jaar Nederlands overheidsbeleid rond opvoedingsondersteuning, en zij deed dat vanuit een zorgethisch perspectief. Zij introduceerde het begrip ontheemd ouderschap. Haar analyse laat zien dat het perspectief van de ouder systematisch ontbreekt in beleid en praktijk, en dat dit geen toeval is maar een structureel kenmerk van de manier waarop er naar ouders wordt gekeken.

Ontheemd ouderschap

Hoeks analyse maakt zichtbaar dat er in het overheidsbeleid geen ruimte is voor de alledaagse worsteling van ouders. Ouders worden benaderd vanuit vier beleidsverhalen: ontplooiing, gelijke kansen, preventie en controle. In geen van die verhalen wordt gevraagd wat ouders zelf nodig hebben om hun ouderschap te kunnen dragen. Hoek beschrijft wat er gebeurt wanneer dat perspectief ontbreekt. Ouders raken ontheemd wanneer hun leerproces als opvoeder stagneert. Ze willen het goede doen voor hun kind, maar weten niet meer hoe. Ze missen een reflectiepartner om mee te praten over twijfels, angsten en onzekerheden.

Hoek pleitte daarom voor een verschuiving van opvoedingsondersteuning naar ouderschapsondersteuning. Ondersteuning gericht op opvoeding is instrumenteel en gericht op het aanleren van vaardigheden. Ouderschapsondersteuning daarentegen gaat over de identiteit en de beleving van de ouder. Het erkent dat ouderschap een emotionele en morele praktijk is.

In de spanningen, klachten en escalaties uit de media, in de worsteling van professionals die Bastiaansen zichtbaar maakte, in het onbegrip van beide kanten zie je allemaal symptomen van die ontheemding. Ouders en scholen raken van elkaar verwijderd, niet omdat ze het niet goed willen, maar omdat er geen plek is waar ze samen kunnen stilstaan bij wat er echt toe doet. Hoek schreef dit in 2008. Bijna twintig jaar later is haar analyse nog steeds actueel. Latere studies naar samenwerking met ouders, zoals ik hiervoor besprak, blijven zich richten op de opvoederrol. Op wat ouders kunnen bijdragen aan schoolsucces. De kwetsbare, existentiële laag van ouderschap blijft buiten beeld. De nadruk op controle, de focus op risico's, het gebrek aan ruimte voor morele vragen. Alles wat Hoek signaleerde, is alleen maar sterker geworden.

Vanuit mijn eigen ervaringen als moeder en schoolleider zoek ik naar wat dit in de praktijk betekent. Hoe ziet ouderschapsondersteuning eruit in de relatie tussen school en ouders? Wat vraagt het van een leerkracht of schoolleider om niet te handelen vanuit controle, risico of prestatie, maar vanuit relationaliteit, kwetsbaarheid en erkenning? Om die vragen te beantwoorden, verdiep ik mij in het gedachtegoed waar Hoek zelf ook uit putte: de zorgethiek.

Het zorgethisch perspectief

De zorgethiek neemt als uitgangspunt dat mensen relationele wezens zijn. We leven in netwerken van onderlinge afhankelijkheid, verantwoordelijkheid en zorg (Tronto, 2013). En juist daar spelen de belangrijkste morele vragen. Leget, Van Nistelrooij en Visse (2017) beschrijven zorgethiek als een interdisciplinair veld waarin theorie en praktijk voortdurend in gesprek zijn. Het goede laat zich niet van tevoren vastleggen, maar moet steeds opnieuw worden ontdekt in concrete situaties.

Die beweging, van ervaring naar theorie en weer terug, is precies wat ik in dit essay doe. Mijn vertrekpunt is mijn eigen leven. De dag dat ik ontdekte dat ik zwanger was en dat overweldigende gevoel van verantwoordelijkheid voelde. Vanuit de onzekerheid van die eerste weken, de tranen, de twijfel. Het gesprek met de ouders van Valerio, en de verbazing van de collega’s dat dat zo goed was verlopen. De ouders die verontschuldigend mijn directiekamer binnenkwamen, en waar ik hen liet weten dat hun komst ertoe deed.

Die ervaringen waren mijn vertrekpunt. Pas daarna zocht ik naar taal om ze te begrijpen. Vier denkers hielpen me daarbij: Eva Feder Kittay, Nel Noddings, Alice van der Pas en Emmanuel Levinas. Zij leren mij de ouder in zijn eigenheid te zien, ieder vanuit hun eigen inzicht. Hun gedachten verbind ik met wat ik zelf als moeder en professional heb meegemaakt.

Gezien willen worden

Eva Feder Kittay, filosoof en moeder van een dochter met een ernstige beperking, laat zien dat moederschap een relatie is van wederzijdse afhankelijkheid (1999). Niet alleen het kind is afhankelijk van de moeder, maar de moeder is ook afhankelijk van erkenning. Van steun. Van gezien worden in wat zij draagt. Kittay schrijft dat je zonder die erkenning niet kunt blijven geven.

Ik herken dat in mijn eigen moederschap. Zeker in die eerste weken, zoekend naar wat goed was voor mijn zoon, verlangde ik naar iemand die vroeg en hoe is het nu voor jou? Iedereen had adviezen, maar niemand leek te zien dat ik ook iets nodig had. Deze momenten maakten me kleiner, onzeker in mijn moeder-zijn.

Wat ik toen voelde, verwoordt Eva Feder Kittay naar mijn idee treffend. De ouder is geen object dat moet voldoen aan verwachtingen, maar een subject, een mens, dat gezien wil worden. Mijn ervaring als moeder, nam ik later mee in mijn werk als onderwijsprofessional. Het hielp me om anders te kijken naar ouders. Zoals bij de ouders met een migratieachtergrond die ik sprak. Zij vertelden over hun eigen ouders. Die konden niet naar school, hadden de taal niet, wisten niet hoe het werkte. Zij droegen dat gemis met zich mee. Kittay leert me ook dat erkenning niet alleen voor henzelf geldt, maar ook voor het verhaal dat ze met zich meedragen.

Aanwezig zijn

Nel Noddings beschrijft in haar boek Caring dat zorg gaat over wat er gebeurt tussen mensen, in de ontmoeting (2013). De one-caring stelt zich open voor de ander. Ze probeert te voelen wat de ander voelt, te zien wat de ander nodig heeft. Ze is niet bezig met oplossen, maar met aanwezig zijn.

In mijn eerste jaar als leerkracht werd ik gewaarschuwd voor de ouders van Valerio. Lastig, zeiden collega's. Ik moest oppassen. Toen ik hen ontmoette, gebeurde er iets anders. We praatten over hun zoon, over wat ik zag, wat zij zagen en wat zij herkenden. Aan het einde liepen we lachend het lokaal uit. Wat had ik anders gedaan? Ik wist het niet.

Noddings noemt dat caring. Het is een houding van ontvankelijkheid, van aandacht, van durven niet-weten. Dat was wat ik deed bij de ouders van Valerio. Ik deed niets bijzonders. Ik luisterde en ik was er.

Wat ouderschap werkelijk is

Wat maakt dat het ouderschap voor de ene ouder draaglijk blijft, terwijl een andere ouder vastloopt in de omstandigheden die bij het grootbrengen van kinderen horen? Alice van der Pas, grondlegster van de Nederlandse ouderschapstheorie, zocht naar het antwoord op die vraag (Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, 2022). Van der Pas ontwikkelde het buffermodel. Vier buffers spelen een rol in het draaglijk houden van ouderschap onder stresserende omstandigheden: een solidaire gemeenschap, een gedeelde taak, de mogelijkheid tot reflectie en positieve ervaringen als ouder.

Aan haar model liggen drie basisaannames ten grondslag die voor elke ouder gelden. De eerste is dat elke ouder een diep besef van verantwoordelijk-zijn heeft. Ook als gedrag dat niet altijd laat zien. Ik herkende dat vanaf de dag dat ik zwanger was. Dat overweldigende gevoel, veel groter dan ik, dat was het.

De tweede aanname is dat ouderschap per definitie kwetsbaar maakt. Gevoelens van schuld en schaamte liggen altijd op de loer. Ik voelde dat in mijn lijf toen de verpleegkundige op het consultatiebureau naar de fontanel van mijn zoon wees en liet voelen. Mijn kind kreeg te weinig vocht binnen. Ik schoot tekort als moeder en ik voelde dat aan alles, zowel figuurlijk als letterlijk.

De derde aanname is dat de ouder eindverantwoordelijk is en blijft. Ook als de wereld om je heen adviezen geeft, ook als je kind naar school gaat, ook als professionals denken dat ze het beter weten. Die verantwoordelijkheid draag je alleen, elke dag opnieuw.

Deze drie basisaannames maken duidelijk waarom die buffers zo belangrijk zijn. Wie een diepe verantwoordelijkheid draagt, wie kwetsbaar is, wie eindverantwoordelijk is, heeft steun nodig. Een gemeenschap die niet adviseert maar luistert. Iemand die de last mee draagt. Steun biedt bij zelfreflectie en bij de ervaring dat je het als ouder goed doet.

In mijn eigen moederschap waren die buffers er soms, maar vaak niet op de manier die ik nodig had. Gelukkig was er mijn moeder. In het eerste levensjaar van mijn kinderen belde ik haar bijna elke dag. We woonden niet dichtbij, maar voor advies over eten, slaapjes en verzorging was zij mijn anker. Mijn moeder was al jong moeder van vijf kinderen en werkte later met baby's in de kinderopvang. Voor mij was zij de expert. Haar advies vroeg ik, het was welkom.

Toen mijn kinderen ouder werden, merkte ik dat haar steun veranderde. Een opmerking over het gewicht van mijn oudste, een afkeurende blik bij het uitbundige gedrag van mijn jongste. Ik begreep het, maar het voelde anders. De onvoorwaardelijke steun werd minder vanzelfsprekend. In de theorie van Van der Pas zou je mijn moeder niet alleen kunnen zien als onderdeel van een buffer (de solidaire gemeenschap), maar ook als een ‘omstandigheid’ van mijn ouderschap. Een omstandigheid die in de loop van de tijd van betekenis veranderde. Een buffer is dus niet voor altijd gegeven, en omstandigheden kunnen verschuiven van steunend naar belemmerend.

De bredere gemeenschap was er ook, maar die adviseerde meer dan ze steunde. De taak kon ik delen met zijn vader, maar de eenzaamheid van het moederschap bleef. De reflectie leerde ik zelf, door naar mijn zoon te kijken. De positieve ervaringen waren er gelukkig ook, maar ze waren kwetsbaar.

Van der Pas helpt me begrijpen wat ik toen voelde. En ze helpt me begrijpen wat ouders nodig hebben. Dat gaat verder dan adviezen en informatie. Het gaat om buffers. Om steun en erkenning. Om een omgeving die ziet hoe kwetsbaar ouderschap is, en die niet alleen kijkt naar wat ouders doen, maar naar wie zij zijn.

Het appel van de ouder

Emmanuel Levinas, filosoof van de Ander, schrijft over het gezicht (2010). Het gezicht van de Ander is niet zomaar een gezicht. Het spreekt mij aan. Het roept mij. Het doet een beroep op mij, nog voordat ik kan nadenken, nog voordat ik kan kiezen. Levinas noemt dat het 'appel'. De ander verschijnt en vraagt aan mij: waar ben jij?

In mijn tijd als directeur stond mijn deur altijd open. Ouders kwamen binnen met vragen, met zorgen, soms met niets. Wat me opviel, was hoe vaak ze zich verontschuldigden dat ze er waren. Alsof ze zich moesten verdedigen voor hun komst.

Ik herinner me ouders met een migratieachtergrond die vertelden dat hun eigen ouders nooit naar school durfden. Die hadden de taal niet, kenden de cultuur niet, wisten niet hoe het werkte. School was voor hen een gesloten deur. En nu zaten hun kinderen op deze school, en kwamen zij wél. Ze zeiden het bijna verontschuldigend. Alsof ze zich afvroegen of ze het recht hadden om er te zijn. Hun gezicht sprak mij aan. In dat verontschuldigende binnenkomen lag een appel, zie mij, erken mij, laat mij niet buiten staan. Ik antwoordde zoals ik altijd deed. Ik zei tegen hen, zoals tegen alle ouders die met hun verhaal kwamen, ‘goed dat je hier bent. Je bent hier, voor je kind, en dat doet ertoe.’

Levinas herinnert mij eraan dat dit antwoord geen techniek uit een training is. Het is een respons op het appel dat van hun gezicht uitgaat. Een erkenning dat zij er mogen zijn met hun verhaal en met hun kwetsbaarheid in ouder-zijn. In de ouder die tegenover me zit, klinkt altijd zo'n appel. Niet zozeer om te helpen, of om iets op te lossen. Het gaat om zien en er zijn. Om te antwoorden met mijn aanwezigheid. De ontmoeting met de ouder is geen kwestie van een aangeleerd trucje, maar van ethiek. Van verantwoordelijkheid. Niet omdat ik die op me neem, maar omdat de ander mij roept.

Bewustwording van jouw positie als professional

De denkers met wie ik tot nu in gesprek ben geweest, helpen me om de ouder te zien als mens. Om te begrijpen wat ouderschap werkelijk is, wat erkenning betekent, wat aanwezigheid vraagt, welk appel er klinkt in het gezicht van de ander. Maar er is nog een laag. Een laag die gaat over macht. Over de vraag waarom het zo moeilijk is om die blik vast te houden, ook als je het beste voorhebt.

Zorgethica Joan Tronto werkt dat begrip van macht verder uit in haar boek Caring Democracy (2013). Hierin beschrijft Tronto hoe zorg ook altijd een politieke dimensie heeft. Zorg wordt verdeeld, toegewezen en afgeschoven. En wie macht heeft, kan zich onttrekken aan zorg. Kan beslissen dat bepaalde mensen niet zijn of haar zorg verdienen, of dat de zorg voor hen aan anderen kan worden overgelaten. Tronto noemt dat privileged irresponsibility, het voorrecht om niet verantwoordelijk te hoeven zijn. Het ontstaat wanneer we anderen maken tot ‘de ander’. De ander is iemand die buiten onze kring valt, iemand naar wie we kunnen kijken zonder werkelijk in relatie te staan.

In het onderwijs werkt dat subtiel. We hebben beelden van ouders, we delen ze in de wandelgangen, we waarschuwen elkaar voor 'lastige' ouders. Die beelden geven ons een zekere afstand. Ze ontslaan ons van de verplichting om werkelijk te luisteren, omdat we al denken te weten wie er tegenover ons zit. En Tronto herinnert mij eraan dat die afstand geen neutraal gegeven is. Ze is een uiting van macht. De macht om niet geraakt te worden, om niet in de war gebracht te worden, om niet verantwoordelijk te hoeven zijn voor de kwetsbaarheid van de ander.

Toch is die macht ook een keuze. Niet in de zin dat we er zomaar uit kunnen stappen, maar wel in de zin dat we ons er bewust van kunnen worden. We kunnen ons afvragen: wie maak ik tot 'ander'? En wat gebeurt er als ik die afstand laat varen? Die macht erkennen is ook erkennen dat jezelf kwetsbaar bent. Dat je niet alles weet, niet alles kan en niet alles hoef te zijn. Juist in die kwetsbaarheid ontstaat ruimte voor de ander.

En die vragen zijn niet alleen individueel. Hoe we als school naar ouders kijken, is geen neutraal gegeven. Het is ingebed in een cultuur van macht en privilege. Alleen door die cultuur gezamenlijk te onderzoeken, kunnen we werkelijk veranderen.

Tronto laat zien hoe macht ons kan weerhouden van werkelijk contact. En tegelijkertijd geeft ze richting door te duiden dat een zorgethische houding vraagt om het erkennen van die macht, en om het bewust kiezen voor verbinding. Hoe doe je dat in de dagelijkse praktijk van school? Hoe geef je vorm aan een houding waarbij je de ouder ziet als subject, niet als object? Pieter Remmerswaal en Ad de Gouw schreven daarover in Snap jij die ouders? (2024).

Naast de ouder gaan staan

Remmerswaal en De Gouw introduceren het begrip nieuwsgierigheidsopgave, een oudergerichte attitude waarbij je als professional probeert te verstaan wat het ouderschap met iemand doet. Dat vraagt om reflectie op de eigen manier van kijken. Welke woorden gebruik ik? Welk beeld heb ik? Het gaat om verder kijken dan gedrag, om werkelijk de ontmoeting aan te gaan. Om vragen te stellen als: wat maakt dat deze ouder zo reageert? Wat draagt hij of zij aan last, aan verleden en aan zorg? Wat heeft hij of zij nodig?

Hun denken bouwt voort op het werk van Alice van der Pas en raakt aan wat in de zorgethiek steeds terugkeert. De samenwerking tussen school en ouders staat of valt met de kwaliteit van de ontmoeting, niet met de tekst op je website of in de schoolgids. Het gaat om een menselijke houding. Remmerswaal en De Gouw maken dat concreet voor de praktijk waar professionals ouders ontmoeten.

Wat mij opvalt in hun werk is het onderscheid dat ze maken tussen ouderschap en opvoederschap. Opvoeden is iets wat je doet, ouderschap is iets wat je bent. Als professional ben je al snel geneigd om instrumenteel te denken. Je hebt een leerling, je wilt iets bereiken, en daarvoor zet je ouders in. Maar wie werkelijk naast de ouder wil gaan staan, begrijpt dat de ouder in dat gesprek niet alleen zoekt naar een oplossing. Hij zoekt naar bevestiging dat hij een goede ouder is. Daar begint de ontmoeting.

Nu ik het werk van Remmerswaal en De Gouw lees, realiseer ik me dat ik dit op mijn eerste school als directeur leerde van mijn intern begeleider. Zij was altijd betrokken bij de kinderen die extra ondersteuning nodig hadden, en dus ook bij de gesprekken met hun ouders. We noemden dit het zorgoverleg. Tijdens die bijeenkomsten vroeg ze eerst oprecht hoe het met hen ging. Ze maakte duidelijk, soms met een kleine toelichting, dat ouderschap een worsteling is. Dat zorgen, twijfels en onmacht er mogen zijn. Ze creëerde ruimte voor het ouderschap. Pas daarna kwam de vraag wat we samen voor het kind konden doen. Die volgorde, eerst de ouder dan de opvoeder, is precies wat Remmerswaal en De Gouw bedoelen.

Deze oudergerichte attitude is geen set vaardigheden die je in een workshop traint. Het is een manier van kijken en luisteren en ook van aanwezig zijn. Het vraagt om reflectie op jezelf. Op je eigen oordelen, je eigen verwachtingen, je eigen ongemak. Het vraagt om de moed om niet te weten, om open te blijven, om te verdragen dat de ander anders is dan jij dacht.

Die houding had ik onbewust opgepikt als ouder aan de andere kant van de tafel. Ik nam haar mee in mijn eigen onderwijspraktijk. Maar ik merkte dat het niet vanzelf gaat. Het vraagt om scherp blijven, om elke keer opnieuw durven kijken. Niet omdat je het eenmaal weet, maar omdat elke ouder, elke situatie, weer anders is.

Twee ervaringen uit mijn tijd als schoolleider maken dat concreet. De ene liet me zien wat er gebeurt als je de ouder werkelijk ziet. De andere liet me zien wat er gebeurt als je dat niet doet. Daar begin ik mee.

Toen ik zelf vastliep

Nadat de klassenindeling voor het volgende schooljaar bekend was geworden, kwam een moeder mijn kantoor binnenlopen. Ze vroeg of ik tijd had voor een gesprek. Ze maakte ook gelijk duidelijk waar het haar om ging. Haar kind moest in een andere klas, anders zou ze hem van school halen. Ze was op dat moment niet boos, maar wel resoluut.

Ik zei dat ik naar haar wilde luisteren. En dat meende ik. Tegelijkertijd zei ik er ook bij, om duidelijk te zijn, dat de klassenindeling vast lag en dat we daar niet van afweken. Achteraf besef ik dat ik wel ruimte bood voor haar verhaal, maar dat ik op hetzelfde moment die ruimte gevoelsmatig heel klein maakte.

Ze begon te praten. Ze was fel, emotioneel en overtuigd. Ik luisterde, knikte, zei dat ik haar zorgen serieus nam. Maar ik herhaalde ook dat we bij dit besluit bleven. Toen ontplofte ze. Haar stem sloeg om, haar lichaam spande zich. Ze stond op, liep weg en trok de deur hard achter zich dicht. De klap echode door de gang. Pas toen voelde ik hoe de spanning zich tijdens het gesprek in mijn lichaam had opgebouwd. Een week later hoorde ik dat ze haar kind had aangemeld op een andere school.

Achteraf bleef er een vraag bij mij hangen: wat was er gebeurd als ik eerst had geluisterd? Als ik had gezegd: 'Ik hoor hoe belangrijk dit voor u is. Vertelt u eens, wat maakt u zo bezorgd?' Pas daarna, als ze haar hele verhaal had kunnen doen, had ik kunnen toelichten waarom het besluit zo was gevallen. Niet om haar te overtuigen, maar om haar te laten zien dat ik haar had gehoord. Misschien was de uitkomst hetzelfde geweest. Maar de weg ernaartoe was anders geweest. En dat was wat haar, en mij, was bijgebleven.

Ik hoorde haar verhaal. Maar zag ik haar werkelijk? Deze ervaring leerde me dat duidelijkheid belangrijk is, maar dat er ook andere dingen zijn die minstens zo zwaar wegen.

In gesprek blijven, ook als het spannend wordt

Als schoolleider zat ik altijd de multidisciplinaire overleggen voor. Dat waren eigenlijk altijd spannende gesprekken. Niet zozeer omdat ze gespannen waren, en misschien ook wel, maar omdat er vaak zoveel partijen bij betrokken waren. Vanuit school, de intern begeleider en de leerkrachten, het samenwerkingsverband om school te ondersteunen, het buurtteam voor ouders, en soms ook nog externe deskundigen. En altijd de ouders. Zij zaten daar middenin, met al hun zorgen, hun kwetsbaarheid en het verhaal dat ze met zich meedroegen.

Het was niet altijd makkelijk. Soms was de situatie complex, soms liepen de emoties hoog op. Maar in al die jaren, hoe moeilijk het ook was, bleef ik in contact met ouders. En zij bleven mij opzoeken. We bleven in gesprek. Zelfs als een van hun kinderen van school ging omdat het echt niet meer ging op onze school, bleven hun andere kinderen wel bij ons. De band met school was niet verstoord. We zochten steeds weer, vanuit een gezamenlijk begrip, naar wat er nodig was voor hun kind en voor hen als ouders van dit kind.

Ik denk dat die ouders mochten zijn wie ze waren. Dat de ruimte die ze voelden, de ruimte om er te zijn met hun zorgen, hun boosheid, hun onmacht, ervoor zorgde dat we in gesprek bleven. Niet omdat ik altijd deed wat ze vroegen, maar omdat ik bleef kijken, bleef luisteren, bleef zoeken naar wat er nodig was. Het gaat om vertrouwen, om erkenning, om de bereidheid om naast iemand te blijven staan, ook als het spannend wordt.

Ik leerde niet alleen met mijn oren luisteren, maar met mijn hele lijf. Voelen wanneer een ouder zich sloot, wanneer er ruimte ontstond, wanneer mijn eigen ongemak iets zei over wat er speelde. Juist in die lichamelijke gewaarwordingen lag een belangrijke bron van inzicht.

Deze twee ervaringen staan voor mij symbool voor twee manieren van kijken. In de eerste hield ik vast aan mijn gelijk, aan de regels, aan wat moest. Ik was professioneel, duidelijk, correct en ik verloor de verbinding. Ik behandelde de moeder als object. Ik stond wel open voor haar verhaal maar tegelijkertijd had ik een scherm opgetrokken. In de tweede, die jaren later vorm kreeg in talloze gesprekken met ouders, ontdekte ik wat er gebeurt als je leert aanwezig te zijn, te luisteren zonder meteen te willen oplossen. Er ontstond ruimte. Ruimte voor ouders om te zijn wie ze waren, met hun zorgen, twijfels en ook hun boosheid en onmacht.

Het is verleidelijk om te denken dat het om een gesprekstechniek gaat, om een set vaardigheden die je kunt leren. Maar het gaat om iets anders. Het gaat om de bereidheid om de ander werkelijk te zien, in zijn of haar kwetsbaarheid, in zijn of haar verhaal. Het gaat om het vermogen om je eigen oordelen uit te stellen, om je eigen gelijk los te laten, om te verdragen dat je het niet weet.

Conclusie

Ik heb veel gedeeld. Mijn weg als moeder, mijn jaren in het onderwijs, en hoe ik de relatie met ouders heb ervaren. Maar pas in gesprek met de zorgethische denkers die ik de laatste jaren leerde kennen, kreeg ik taal voor mijn ervaringen. Van der Pas, Kittay, Noddings, Levinas, Remmerswaal en De Gouw gaven me woorden voor wat ik in de praktijk voelde. En Tronto herinnert mij eraan dat ik zonder zelfonderzoek, zonder het erkennen van mijn eigen macht en voorrecht, al die inzichten weer kan kwijtraken. Want het is makkelijk om te denken dat ik het goed doe, maar pas als ik me afvraag wie ik maak tot 'ander', kom ik echt in de buurt van de ouder. En wie zelfonderzoek doet, ontdekt ook zijn eigen kwetsbaarheid. Dat je het niet weet, dat je twijfelt, dat je geraakt wordt, het is geen zwakte, maar de voorwaarde voor echte ontmoeting. Alleen wie zich kwetsbaar durft op te stellen, kan de ander werkelijk zien. En dat voel je niet alleen met je hoofd, maar met je hele lijf. Lichamelijkheid is geen bijzaak in de ontmoeting; ze is de plek waar het zich aandient.

Wie zo durft te kijken, ziet dat de relatie tussen ouder en professional nooit helemaal symmetrisch is. Instrumenteel partnerschap doet alsof we gelijkwaardige partners zijn met een gedeelde taak. Maar zorgethisch kijken erkent de asymmetrie: jij bent als ouder eindverantwoordelijk voor dit kind, je leven lang. Ik ben als professional tijdelijk medeverantwoordelijk, voor een klein deel van zijn of haar leven. Mijn rol is niet om jouw verantwoordelijkheid over te nemen, maar om jou zo te ondersteunen dat jij die verantwoordelijkheid kunt blijven dragen. Dat is geen partnerschap van gelijken, maar een dienstbare relatie.

Juist in het erkennen van die asymmetrie, en in het kwetsbaar durven zijn over de eigen beperkte rol, ontstaat ruimte voor de ander. Want als de ouder zich gezien voelt in zijn ouderschap, ontstaat er ruimte voor de driehoek waarin kind, ouder en school samen bewegen. Pas dan kunnen we echt samen optrekken voor het kind. De erkenning van de ouder gaat dus vooraf aan de samenwerking voor het kind. Niet omdat het kind er niet toe doet, maar omdat het kind woont in het hart van de ouder. Door hen te zien, zien we ook het kind.

Zorgethiek is een manier van kennisontwikkeling die gestalte krijgt in relaties en dialoog (Leget et al., 2017). Je komt alleen tot inzicht door in gesprek te gaan, door te luisteren, door open te staan voor de ander. Dat geldt voor onderzoek, maar het geldt misschien nog wel sterker voor de dagelijkse praktijk van het onderwijs. Als we willen weten wat goed is voor een kind, zullen we in gesprek moeten met degenen die het kind het beste kennen: zijn ouders. En dat gesprek vraagt om een reflectieve en responsieve houding.

Dit alles vraagt mijns inziens niet om een beleid over hoe we de samenwerking met ouders zien. Het vraagt om de moed om te blijven kijken naar de mens tegenover je, ook als het gedrag je irriteert of uitdaagt. Want dat zegt vaak meer over jou dan over de ander. Het vraagt om zelfonderzoek en om het erkennen van kwetsbaarheid, zowel die van de ouder als die van jezelf.

Wat ik hier beschrijf raakt ook aan de cultuur van een school. Hoe kijken we als team naar ouders? Welke verhalen delen we in de wandelgangen? Durven we onze eigen oordelen te onderzoeken, samen? Dat zijn vragen die verder gaan dan de eenmalige ontmoeting. Ze vragen om een gezamenlijke reflectieve houding.

Uitnodiging

Mijn artikel is geen aanval op scholen of professionals. Het is een uitnodiging om stil te staan bij de vragen die we onszelf te weinig stellen. Vanuit dat besef komen we bij de vragen die dichter bij de praktijk liggen. Wat voor beeld heb ik van deze ouder? Waar komt dat beeld vandaan? Klopt het wel? En wat gebeurt er als ik het even loslaat? Wat heeft deze ouder nodig om zijn kind te kunnen dragen? Niet hoe de ouder mij helpt, niet in zijn rol om de school te ondersteunen, maar om de mens te kunnen zijn wie hij is. En wat heb ik zelf nodig om die vraag te kunnen stellen? Om niet meteen in mijn oordeel te schieten, om open te blijven en aanwezig te kunnen zijn.

Dit artikel ging daarom niet alleen over de vraag of we de ouder wel zien. Het ging over de vraag of we onszelf durven zien in relatie tot de ander. En dat is misschien wel de belangrijkste vraag die een onderwijsprofessional zich kan stellen. Want hoe we naar de ander kijken, zegt altijd ook iets over onszelf. Over onze beelden, angsten en verwachtingen.

Dit essay is mede tot stand gekomen dankzij de zorgvuldige en kritische lezing van Pieter Remmerswaal. Zijn opmerkingen over het werk van Alice van der Pas hebben mij geholpen haar theorie nauwkeuriger weer te geven.

Over de auteur

Antoinette Smit is zorgethicus en voormalig schoolleider. Ze werkte in het bedrijfsleven, de lokale politiek en het Utrechtse onderwijs en leerde daardoor door meerdere brillen tegelijk kijken. Ze spreekt de taal van de bestuurstafel en die van de klas. Ze schrijf over haar eigen ervaringen en die van andere schoolleiders en ontwikkelt werkvormen voor ethische reflectie. Praktischmetlef.nl

Als sparringpartner stelt ze vragen over wat er wel en niet benoemd wordt. Over kwetsbaarheid, macht, context en wat er speelt tussen mensen. Haar drijfveer? Een kansrijke omgeving voor alle kinderen, samen met de mensen die elke dag het verschil maken.

Samenwerken met ouders onderzoeken in een schoolteam

Naar aanleiding van dit artikel en de blogpost die ik schreef over mijn eerste ouderavond ‘De ouders van Valerio’, ontwikkelde ik de werkvorm: Aan de andere kant van de tafel. Een systemische oefening voor schoolteams om beelden, oordelen en aannames over ouders te onderzoeken. Om zichtbaar te maken wat vaak onzichtbaar blijft. En om samen te ontdekken hoe je als schoolteam ouders tegemoet wilt treden.

De werkvorm duurt ongeveer 3 uur (2*1,5 uur) en is geschikt voor teams die willen groeien in reflectief vermogen. Je doorloopt met elkaar vier fases, van het eigen innerlijke beeld tot een concrete teamafspraak over hoe je voortaan met verhalen over ouders omgaat. De lege stoel, symbool voor de ouder die nog niet in beeld is, genegeerd wordt of in de wandelgangen besproken wordt, loopt als een rode draad door de werkvorm.

De werkvorm is zo geschreven dat een team ermee aan de slag kan, begeleid door een schoolleider, intern begeleider of een ander teamlid met feeling voor groepsprocessen.

➡️ Link naar de werkvorm

Bronnen

  • Bakker, J., Denessen, E., Dennissen, M., & Oolbekkink-Marchand, H. (2013). Leraren en ouderbetrokkenheid: een reviewstudie naar de effectiviteit van ouderbetrokkenheid en de rol die leraren daarbij kunnen vervullen. Behavioural Science Institute / Radboud Docenten Academie, Radboud Universiteit Nijmegen.

  • Bastiaansen, L. (2022). Aandachtige betrokkenheid als pedagogische grondhouding. Garant.

  • CNV. (2026). Agressie op school geen incident: voor een veilige school is structurele aanpak nodig. Geraadpleegd op 10 maart 2026, van https://www.cnv.nl/nieuws/agressie-op-school-geen-incident-voor-veilige-school-is-structurele-aanpak-nodig/

  • Hoek, M. A. M. (2008). Ontheemd ouderschap: Betekenissen van zorg en verantwoordelijkheid in beleidsteksten opvoedingsondersteuning 1979-2002. SWP.

  • Kittay, E. F. (1999). Love's labor: Essays on women, equality and dependency. Routledge.

  • Leget, C., Nistelrooij van, I., & Visse, M. (2017). Beyond demarcation: Care ethics as an interdisciplinary field of inquiry. Nursing Ethics.

  • Levinas, E. (2010). Totaliteit en oneindigheid (T. de Boer & C. Bremmers, Vert.). Boom.

  • Lodewick, J., Geurts, R., Lucas, K., Van den Broek, A., & Ramakers, C. (2023). Veilig op school. Landelijke Veiligheidsmonitor 2021-2022: veiligheidsbeleid en veiligheidsbeleving in het primair en voortgezet onderwijs. ResearchNed.

  • Lusse, M. (2013). Een kwestie van vertrouwen: Een ontwerpgericht onderzoek naar het verbeteren van het contact met ouders in het ‘grootstedelijke’ vmbo als bijdrage aan preventie van schooluitval [Proefschrift, Erasmus Universiteit Rotterdam]. Hogeschool Rotterdam.

  • Lusse, M., & Diender, A. (2014). Samen werken aan schoolsucces: school en ouders in het vo en mbo. Uitgeverij Coutinho.

  • Nederlands Centrum Jeugdgezondheid. (2022). Ouderschapstheorie. Geraadpleegd op 10 maart 2026, van https://www.ncj.nl/onderwerp/ouderschap/ouderschapstheorie/

  • Nederlands Jeugdinstituut (2026). Werken aan een goede band met ouders: dit is waarom. Geraadpleegd op 13 maart 2026, van https://stichtingvreedzaam.nl/wordpress/wp-content/uploads/2026/03/2026-Oproep-professionals-NJI.pdf

  • Noddings, N. (2013). Caring: A relational approach to ethics and moral education. University of California Press.

  • Onderwijsgeschillen. (2025, 30 juni). Aantal geschillen passend onderwijs in 2024 fors toegenomen. Geraadpleegd op 10 maart 2026, van https://www.onderwijsgeschillen.nl/actueel/aantal-geschillen-passend-onderwijs-in-2024-fors-toegenomen/

  • Onderwijsraad. (z.d.). Relatie tussen ouders en scholen. Geraadpleegd op 12 maart 2026, van https://www.onderwijsraad.nl/adviezen/adviezen-in-voorbereiding/in-voorbereiding/relatie-ouders-en-school/relatie-tussen-ouders-en-scholen

  • Remmerswaal, P., & De Gouw, A. (2024). Snap jij die ouders? Basisboek professioneel werken met ouders (4e druk). Uitgeverij SWP.

  • RTL Nieuws. (2026, 20 januari). Onderzoek: honderden meldingen grensoverschrijdend gedrag ouders op basisscholen. Geraadpleegd op 10 maart 2026, van https://www.rtlnieuws.nl/onderwijs/artikel/5556406/ouders-grensoverschrijdend-gedrag-leraren-school

  • Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. (2025). Wet vrij en veilig onderwijs (Kamerstuk 36777). Tweede Kamer der Staten-Generaal. Geraadpleegd op 10 maart 2026, van https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK013004

  • Tronto, J. C. (2013). Caring Democracy: Markets, Equality, and Justice. Amsterdam University Press.

  • Tweede Kamer der Staten-Generaal. (2026). Kamervragen (2026Z04242) over het bericht 'Bijna helft van docenten heeft te maken met fysiek geweld door leerlingen en ouders: Tijdens zwangerschap in mijn buik getrapt'

  • Wisse, M., De Rooij, M., & Van Nuland, F. (2025). Verkenning sociale (on)veiligheid in het primair onderwijs. CAOP in opdracht van Arbeidsmarktplatform PO.

Krijg nieuwe blogs direct in je inbox – kort, praktisch en herkenbaar